|
Uitspraak
02/1363 WAO en 02/1365 WBIA
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Spanje), appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de invoeringswet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv,
alsmede de rechtsvoorganger van het Lisv de Bedrijfsvereniging voor
Hotel-, Restaurant-, Café-, Pension- en Aanverwante Bedrijven.
Namens appellante is mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te
Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden, in hoger
beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18
januari 2002, nr. AWB 99/7976 WAO en AWB 00/4196 WBIA, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 27 augustus 2004,
waar voor appellante is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn voornoemd,
terwijl voor gedaagde is verschenen mr. J.B. van der Horst, werkzaam bij
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellante, geboren [in] 1949 en in het bezit van de Spaanse
nationaliteit, is in 1969 naar Nederland gekomen. Na eerst gewerkt te
hebben in Hotel Rembrandt, is zij op 18 september 1970 als
linnenjuffrouw in dienst getreden bij café-restaurant Engels BV. In
1971 heeft zij deze werkzaamheden gestaakt, waarna zij met ingang van 17
december 1974 wederom in dienst is getreden van Engels BV. Appellante is
in februari 1977 uitgevallen met lage rug- en maagklachten, waarna bij
beslissing van 29 maart 1978 aan appellante met ingang van 7 februari
1978 een uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij beslissing van 15 augustus 1985 is appellantes
uitkering met ingang van 1 augustus 1985 ingetrokken, omdat de mate van
haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Deze beslissing is
bij uitspraak van de Raad van 5 april 1989 vernietigd. Bij brief van 9
mei 1989 heeft gedaagde aan appellante laten weten dat zij vanaf 1
augustus 1985 onverminderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt is te
beschouwen. Besloten is om een nieuw onderzoek in te stellen naar de
eventuele arbeidsmogelijkheden van appellante.
In het kader van de toepassing van de Wet terugdringing beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA) heeft gedaagde appellante in
Spanje aan een medisch onderzoek laten onderwerpen. Uit de door de INSS
verstrekte gegevens komt naar voren dat appellante noch voor haar eigen
werk noch voor aangepast werk arbeidsongeschikt wordt geacht. Blijkens
een rapportage van 13 mei 1998 heeft gedaagdes verzekeringsarts R.J.A.M.
van Eldijk daarop besloten appellante voor onderzoek naar Nederland op
te roepen. Appellante is vervolgens onderzocht door de neuroloog E.F.
Schreuder. Blijkens haar rapport van 17 augustus 1998 kan Schreuder bij
neurologisch onderzoek geen objectief neurologische afwijkingen
vaststellen. Zij geeft aan op zuiver neurologische gronden geen redenen
voor arbeidsongeschiktheid (meer) te kunnen vaststellen. Gedaagdes
verzekeringsarts L.J. Schaap concludeert, na onderzoek van appellante én
na ontvangst van de expertise van Schreuder, dat appellante geschikt is
te achten voor rug-, nek- en schoudersparend werk. Er wordt door haar
een belastbaarheidspatroon opgesteld.
De arbeidsdeskundige M. van Duin stelt als maatman vast de medewerkster
linnenkamer voor 32,5 uur per week. Het maatmaninkomen van appellante
was het wettelijk minimumloon. De laatste vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid van appellante dateert van augustus 1989. Het
wettelijk minimumloon bedroeg toen f 1987,70 exclusief 8%
vakantietoeslag. Indexering aan de hand van de totaalindex
regelingslonen levert per juli 1998 een uurloon op van f 16,53. Op basis
van de mediane loonwaarde van de drie hoogstverlonende, voor appellante
geschikt geachte functies ad f 17,32, concludeert Van Duin tot een
arbeidsongeschiktheidspercentage van 0.
Bij besluit van 16 februari 1999 heeft gedaagde appellantes uitkering
ingevolge de WAO met ingang van 1 september 1999 ingetrokken.
In bezwaar is namens appellante een arbeidsovereenkomst tussen
appellante en Engels BV in het geding gebracht. Uit die overeenkomst
blijkt onder meer dat appellante met ingang van 18 september in dienst
treedt. Blijkens de overeenkomst kwamen tijdens de werkdagen de
maaltijden voor rekening van Engels BV en zorgde Engels BV ook voor de
huisvesting van appellante.
Gedaagdes arbeidsdeskundige R.F. Meere rapporteert op 11 juni 1999 dat
de overgelegde arbeidsovereenkomst betrekking heeft op het eerste
dienstverband van appellante bij Engels BV. Blijkens het door appellante
ondertekende dagloonrapport van 25 januari 1978 had appellante tijdens
het tweede dienstverband geen extra loonbestanddelen. Uit onderzoek bij
de toenmalige werkgever van appellante bleek dat gegevens uit 1977 niet
meer zijn te achterhalen. Uit de rapportage van Meere van 12 juli 1999
blijkt dat ten onrechte fulltime functies zijn geselecteerd. Onderzocht
is of de geselecteerde functies op de datum in geding ook parttime op de
arbeidsmarkt voorkwamen. Dit blijkt het geval te zijn. De resterende
verdiencapaciteit wordt op die basis vastgesteld op f 18,90. Indexering
van het maatmaninkomen leidt tot een maatmaninkomen van f 16,93. De
conclusie is dat appellante onveranderd minder dan 15% arbeidsongeschikt
is.
Bij besluit van 16 juli 1999, hierna: besluit I, heeft gedaagde
appellantes bezwaar tegen het besluit van 16 februari 1999 ongegrond
verklaard.
Bij brief van 1 september 1999 is namens appellante een uitkering
aangevraagd ingevolge de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria (WBIA). Bij besluit van 5 april 2000
heeft gedaagde aan appellante laten weten dat deze aanvraag niet in
behandeling wordt genomen. Na bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 20
juli 2000, hierna besluit II, aan appellante laten weten dat haar
aanvraag wel in behandeling genomen had moeten worden, maar dat de
aanvraag wordt afgewezen. Het bezwaar is, met een gewijzigde motivering,
ongegrond verklaard.
In het beroep tegen besluit I is namens appellante betoogd dat haar
beperkingen inzake het verrichten van arbeid door gedaagde zijn
onderschat. Naast de rugklachten zijn ook de klachten aan handen,
ellebogen en polsen onvoldoende in het belastbaarheidspatroon verwoord.
Ook is onvoldoende rekening gehouden met beperkingen in verband met
werkstress. De geselecteerde functies worden niet geschikt geoordeeld.
Verder wordt aangevoerd dat het maatmaninkomen te laag is vastgesteld.
Het loon had vanaf februari 1978 geïndexeerd moeten worden. Daarnaast
is geen rekening gehouden met de vrije voeding. Opgemerkt wordt dat er
slechts één arbeidscontract is geweest.
In het beroep inzake besluit II is namens appellante aangevoerd dat dit
besluit in strijd is met Verordening 1408/71 van de EEG (de
Verordening). Betoogd wordt dat de WBIA behoort tot de
arbeidsongeschiktheidsregelingen. Op grond van artikel 10 van de Verordening kan een uitkering op grond van de WBIA
niet verminderd, geschorst of geweigerd worden op grond van het feit dat
een rechthebbende woont op het grondgebied van een andere lidstaat,
behoudens voorzover de Verordening daarin voorziet. De Verordening
voorziet niet in uitsluiting.
Subsidiair wordt betoogd dat er sprake is van verboden discriminatie
naar nationaliteit. In dat verband wordt onder meer gewezen op artikel
14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens
en de fundamentele vrijheden in samenhang met artikel 1 van het Eerste
Protocol bij dat Verdrag.
De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond
verklaard.
In hoger beroep zijn namens appellante de in bezwaar en beroep
aangedragen grieven in essentie herhaald.
De Raad oordeelt als volgt.
Besluit I
Inzake de intrekking van haar uitkering ingevolge de WAO met ingang van
1 september 1999 is namens appellante primair aangevoerd dat gedaagde
haar (medische) beperkingen heeft onderschat. De Raad moet evenwel
constateren dat gedaagde appellantes belastbaarheid zorgvuldig heeft
vastgesteld. Naast onderzoek in Spanje door de INSS, heeft gedaagde
appellante zelf onderzocht en laten onderzoeken door een
neuroloog-deskundige. Door of namens appellante zijn geen medische
gegevens aangevoerd die aanleiding geven te twijfelen aan de op die
basis vastgestelde belastbaarheid van appellante.
Met betrekking tot de (medische) geschiktheid van de geselecteerde
functies, is de Raad van oordeel dat gedaagde afdoende heeft gemotiveerd
waarom (schijnbare) overschrijdingen van de belastbaarheid van
appellante in een aantal functies aan de geschiktheid van die functies
voor appellante niet in de weg stonden.
Namens appellante is verder betoogd dat het maatmaninkomen onjuist is
vastgesteld. Primair wordt in dat verband betoogd dat gedaagde ten
onrechte bij de bepaling van het maatmaninkomen geen rekening heeft
gehouden met de aan appellante toekomende vrije voeding. Met de
rechtbank is de Raad evenwel van oordeel dat de namens appellante
overgelegde arbeidsovereenkomst, waarin is neergelegd dat tijdens de
werkdagen appellantes maaltijden voor rekening van Engels BV komen, geen
betrekking heeft op het dienstverband bij Engels BV dat is aangevangen
op 17 december 1974. De Raad wijst in dat verband op de datum van die
arbeidsovereenkomst, die overeenstemt met het eerste dienstverband, en
het tijdsverloop dat ligt tussen de twee dienstverbanden. Door
appellante is niet aannemelijk gemaakt dat zij ook tijdens dit tweede
dienstverband de door haar gestelde voordelen genoot. De Raad wijst
daartoe mede op het door appellante ondertekende, hiervoor genoemde
dagloonrapport, waaruit van voordelen als door appellante gesteld niet
blijkt.
Met betrekking tot de berekening van het maatmaninkomen stelt de Raad
vast dat na de toekenning van de uitkering in 1978 geen hernieuwde
vaststelling of herziening van de uitkering heeft plaatsgevonden. In dat
verband wijst de Raad erop dat het vernietigde besluit van 15 augustus
1985, volgens vaste rechtspraak van de Raad, niet kan worden aangemerkt
als een vaststelling als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het
Schattingsbesluit, zoals dat luidde op de datum in geding. De brief van
9 mei 1989 kan evenmin worden gezien als een rechtens bindende
vaststelling van appellantes uitkering. De Raad wijst er daarbij op dat
aan de brief van 9 mei 1989 geen medisch en arbeidskundig onderzoek
vooraf is gegaan, terwijl een nieuw onderzoek inzake de vaststelling van
haar uitkering wordt aangekondigd. Uit artikel 6 van het
Schattingsbesluit, zoals deze bepaling destijds luidde, volgt dan dat
appellantes maatmaninkomen vanaf de toekenningsdatum dient te worden geïndexeerd.
In het voorgaande is gebleken dat appellantes maatmaninkomen enkel
bestaat uit het wettelijk minimumloon en het daarbij behorende
vakantiegeld. Indexering hiervan kan, zoals door appellantes gemachtigde
ter zitting ook is erkend, in het onderhavige geval niet ertoe leiden
dat appellante in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse wordt
ingedeeld.
De Raad concludeert dat het hoger beroep inzake besluit I vergeefs is
ingesteld.
Besluit 2
Met betrekking tot het namens appellante ingestelde beroep tegen de
uitspraak van de rechtbank inzake besluit II, volstaat de Raad met te
verwijzen naar zijn uitspraak van 25 juli 2003, nr. 01/3957 WBIA, LJN
AI1102. In deze uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat een uitkering
ingevolge de WBIA aangemerkt moet worden als een werkloosheidsuitkering,
zodat het beroep op artikel 10 van de Verordening niet kan slagen.
Daarnaast heeft de Raad in die zaak geoordeeld dat de WBIA niet in
strijd komt met het discriminatieverbod als neergelegd in diverse
bepalingen van internationaal recht. Door en namens appellante zijn in
het onderhavige geding geen gronden of argumenten naar voren gebracht,
die de Raad tot een ander oordeel hebben kunnen brengen.
Uit het vorenstaande volgt dat ook het hoger beroep inzake besluit II
niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in
aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van C. Molle als
griffier 8 oktober 2004.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) C. Molle.
|
|