|
Uitspraak
00/6356, 00/6358, 00/6359 en 00/6360 WFV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij een viertal besluiten van 18 augustus 1999 heeft appellant aan
gedaagde kenbaar gemaakt dat hij over de jaren 1992, 1993, 1994 en 1995
schuldig nalatig is de verschuldigde premie ingevolge de Algemene
Ouderdomswet (AOW) te betalen.
Bij een viertal beslissingen op bezwaar van 16 november 1999, de thans
bestreden besluiten, heeft appellant de bezwaren van gedaagde ongegrond
verklaard.
De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 26 oktober 2000
de tegen de bestreden besluiten ingestelde beroepen gegrond verklaard,
die besluiten vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing
te nemen op de bezwaarschriften van gedaagde, met veroordeling van
appellant in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij
beroepschrift aangevoerde gronden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 november
2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door A. van
Scherpenzeel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank, en waar gedaagde
niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Bij brief van 15 juni 1999 heeft de belastingdienst te Helmond aan
appellant verzocht te onderzoeken of gedaagde schuldig nalatig kan
worden verklaard. In die brief heeft de belastingdienst medegedeeld dat
gedaagde nog aan inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen
verschuldigd is over 1992 f. 61.236,- (hierna: € 27.787,68), over
1993 f. 70.843,- (hierna: € 32.147,15), over 1994 f. 38.432,-
(hierna: € 17.439,68) en over 1995 f. 37.630,- (hierna: € 17.075,74) en dat gedaagde weigert deze bedragen te betalen. Tevens is
daarbij aangegeven dat gedaagde op 28 augustus 1996 failliet verklaard
is en dat dit faillissement op 9 april 1999 is opgeheven wegens gebrek
aan baten.
Bij brieven van 5 juli 1999 heeft appellant gedaagde medegedeeld dat hij
kan voorkomen schuldig nalatig te worden verklaard, door binnen één
maand na dagtekening van die brieven alsnog de nog verschuldigde
inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen te betalen of door aan
te tonen dat het niet betalen van die aanslagen hem niet toe te rekenen
is. In een reactie op die brieven heeft gedaagde, onder meer, gewezen op
zijn faillissement in 1996.
Bij de in bezwaar gehandhaafde besluiten van 18 augustus 1999 heeft
appellant aan gedaagde medegedeeld dat hij, op grond van de artikelen 18
en 18a van de Wet financiering volksverzekeringen (Wfv), schuldig
nalatig is de over de jaren 1992 tot en met 1995 verschuldigde premie
krachtens de AOW te betalen.
De rechtbank heeft de bestreden besluiten vernietigd, overwegende dat
die onzorgvuldig zijn voorbereid en onvoldoende draagkrachtig zijn
gemotiveerd. Daarbij is de rechtbank, op grond van de wetsgeschiedenis
met betrekking tot de wijziging van artikel 18 van de Wfv per 24
november 1993 en de Beschikking van de Staatssecretaris van Financiën
van 26 mei 1993, nr. AFZ 93/3931, ervan uitgegaan dat appellant zich bij
de besluitvorming omtrent schuldige nalatigheid een zo volledig mogelijk
beeld dient te vormen van de omstandigheden waarom de premie
volksverzekeringen over een bepaald jaar onbetaald is gebleven. Nu
bekend was dat gedaagde in 1996 failliet is verklaard, had het volgens
de rechtbank op de weg van appellant gelegen om gericht onderzoek te
doen omtrent de financiële situatie van gedaagde ten tijde van het
faillissement, omdat het faillissement speelde ten tijde van het
invorderbaar zijn van de aanslagen en omdat deze gegevens mogelijk van
belang kunnen zijn voor het antwoord op de vraag naar de
verwijtbaarheid. Appellant heeft nagelaten een zodanig onderzoek te
verrichten en heeft ook geen informatie ingewonnen bij de
belastingdienst, waardoor niet is komen vast te staan wat de reden voor
de naheffingsaanslagen is. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg
van appellant ligt om deze informatie alsnog te verkrijgen, omdat deze
mogelijk van belang kan zijn bij de beoordeling of sprake is van
verwijtbaarheid.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het de
verantwoordelijkheid van gedaagde is om omstandigheden aan te voeren op
grond waarvan het niet betalen hem niet zou zijn toe te rekenen. Daarbij
heeft appellant erop gewezen dat informatie over de wijze waarop de aan
gedaagde opgelegde aanslagen tot stand zijn gekomen geen rol kan spelen
in het kader van de beoordeling van schuldige nalatigheid, aangezien op
grond van artikel 18a van de Wfv het bezwaar en beroep tegen de
beslissing inzake schuldige nalatigheid, niet gericht kan zijn tegen de
hoogte van de opgelegde aanslag.
Verder heeft appellant aangevoerd dat de financiële situatie van
gedaagde ten tijde van het faillissement niet van invloed kan zijn op de
bestreden besluiten, nu gedaagde tijdens de hoorzitting op 11 november
1999 heeft verklaard dat hij in de jaren 1992 tot en met 1995 ervoor
heeft gekozen niet de aanslagen aan de belastingdienst te voldoen maar
eerst de schulden aan andere schuldeisers in te lossen. Appellant meent
dat er in een dergelijk geval geen aanleiding kan zijn om af te zien van
het schuldig nalatig verklaren.
De Raad overweegt het volgende.
Allereerst stelt de Raad vast dat gedaagde niet betwist dat hij over de
jaren 1992 tot en met 1995 nalatig is gebleven de door hem verschuldigde
premie volksverzekeringen te betalen, zodat voldaan is aan de in de
eerste volzin van artikel 18, tweede lid, van de Wfv gestelde voorwaarde
om iemand schuldig nalatig te verklaren. Ook in hoger beroep is derhalve
slechts in geschil of sprake is van door gedaagde aangedragen
omstandigheden op grond waarvan het niet betalen van de hiervoor
bedoelde premie hem niet kan worden toegerekend, als bedoeld in de
tweede volzin van artikel 18, tweede lid, van de Wfv.
De Raad stelt ten aanzien van dit geschilpunt voorop dat krachtens
artikel 18, tweede lid, van de Wfv, zoals dat artikel sedert 24 november
1993 luidt, sprake is van schuldige nalatigheid indien de betrokkene de
verschuldigde premie niet betaalt. Van het schuldig nalatig stellen
wordt evenwel afgezien indien de betrokkene aantoont dat sprake is van
omstandigheden op grond waarvan het niet betalen hem niet kan worden
toegerekend. Dit betekent derhalve dat de bewijslast om dit aan te tonen
sindsdien op de betrokkene ligt.
Uit de Beleidsregels SVB, zoals die in ieder geval vanaf 1997 luiden,
blijkt dat appellant ten aanzien van de beoordeling van schuldig
nalatigheid het volgende beleid hanteert:
"Het beleid van de SVB is om te trachten in alle gevallen een
onderzoek in te stellen bij de betrokkene om de oorzaak van niet-betalen
te achterhalen. Als de betrokkene aangeeft dat er omstandigheden zijn op
grond waarvan het niet-betalen hem niet kan worden verweten, wordt
zorgvuldig beoordeeld of er van een niet toerekenbaar niet betalen
sprake is. Financiële en sociale aspecten spelen daarbij een rol.
Ernstige verslaving, detentie en faillissement aan de zijde van de
verzekerde, of een inkomen op volstrekt minimumniveau kunnen
bijvoorbeeld omstandigheden vormen om niet tot schuldignalatigverklaring over te gaan."
Ook in de voordien door appellant als uitgangspunt van beleid
gehanteerde Beschikking van de Staatssecretaris van Financiën van 26
mei 1993 worden reeds soortgelijke uitgangspunten ten aanzien van
relevante omstandigheden en de beoordeling ervan genoemd. Appellant
heeft aan dit beleid een nadere invulling gegeven door, na ontvangst van
een verzoek van de belastingdienst om iemand schuldig nalatig te
verklaren, de betrokkene eerst schriftelijk te wijzen op het risico van
schuldige nalatigheid als gevolg van het niet betalen van de
verschuldigde belasting en premie en daarbij betrokkene in de
gelegenheid te stellen aan te tonen dat het niet betalen van de aanslag
hem niet toe te rekenen is.
De Raad acht dit beleid van appellant in beginsel aanvaardbaar. Wanneer
de betrokkene op genoemde brief reageert en daarbij omstandigheden noemt
die, gelet op het ter zake door appellant gevoerde beleid, van betekenis
kunnen zijn voor een beoordeling van de verwijtbaarheid dan dient
appellant echter een nader onderzoek in te stellen naar alle relevante
omstandigheden met betrekking tot de vraag of het niet betalen van de
belasting en premie de betrokkene, gelet op de door hem genoemde
omstandigheid, kan worden verweten. De Raad vindt voor dit oordeel, dat
aansluit bij het hiervoor weergegeven beleid van appellant, steun in de
wetsgeschiedenis, nu in de memorie van toelichting bij de wijziging van
artikel 18 van de Wfv per 24 november 1993 (TK 1991-1992, 22 689, nr. 3,
blz. 7) is opgemerkt dat appellant als het ware voortbouwt op de eerdere
aanslagen en de daaraan verbonden invorderingsactiviteiten van de
belastingdienst. Deze formulering veronderstelt immers dat appellant
bekend is met relevante omstandigheden het dossier van de
belastingdienst.
De Raad stelt vast dat door gedaagde in reactie op de brief van
appellant van 5 juli 1999, waarin hem werd gewezen op het risico van
schuldige nalatigheid, onder meer is aangevoerd dat hij in 1996 failliet
is verklaard. Deze mededeling is naar 's Raads oordeel een
omstandigheid als hiervoor bedoeld, namelijk een in het beleid van
appellant genoemde sociale omstandigheid, welke van belang is bij de
beoordeling van de verwijtbaarheid van het niet betalen van de belasting
en premie volksverzekeringen. Dit betekent dat appellant gelet op het
hiervoor overwogene een nader onderzoek had moeten instellen, met name
bij de belastingdienst en eventueel ook bij de curator of de
rechter-commissaris in het faillissement van gedaagde, naar de relevante
omstandigheden met betrekking tot de vraag of op grond van het
faillissement van appellant in 1996 aangenomen moet worden dat het niet
betalen van de opgelegde aanslagen gedaagde wellicht niet kan worden
verweten. Daarbij is in ieder geval van belang wanneer de - voorlopige
en definitieve - aanslagen over de jaren 1992 tot en met 1995
invorderbaar zijn geworden en of de financiële situatie van gedaagde in
die jaren zodanig is geweest dat hij bij een normale bedrijfsvoering
bedragen had kunnen reserveren voor de te verwachten aanslagen
inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de bestreden besluiten
niet voldoende zorgvuldig zijn voorbereid, zodat die besluiten wegens
strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in
stand kunnen blijven. Dit betekent dat het hoger beroep niet kan slagen
en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten, nu van voor
vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.
Ten slotte stelt de Raad vast dat van appellant een griffierecht van f
722,- (hierna: € 327,-) dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat van appellant een griffierecht van f 722,- (hierna: €
327,-) wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 januari
2001.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|