|
Uitspraak
01/3175 WFV en 01/3240 WFV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 17 april
2001, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 februari 2003,
waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft
laten vertegenwoordigen door A. van Scherpenzeel, werkzaam bij de
Sociale verzekeringsbank (SVB).
II. MOTIVERING
Bij brieven van 14 september 1998 heeft de belastingdienst te Lelystad
aan gedaagde verzocht te onderzoeken of appellant schuldig nalatig kan
worden verklaard. De belastingdienst heeft hierbij medegedeeld dat
appellant over 1993 fl. 84.489,= en over 1994 fl. 4.817,= aan
inkomstenbelasting, premies volksverzekeringen en invorderingskosten
verschuldigd is en dat appellant weigert deze bedragen te betalen.
Tevens is daarbij aangegeven dat sprake is geweest van een faillissement
dat is opgeheven wegens gebrek aan baten. Uit een telefonisch verzoek om
informatie van gedaagde aan de belastingdienst is gebleken dat appellant
op 16 april 1997 failliet is verklaard en dat zijn faillissement op 12
augustus 1998 is opgeheven.
Bij brieven van 24 september 1998 heeft gedaagde aan appellant
medegedeeld dat hij kan voorkomen schuldig nalatig te worden verklaard,
door binnen één maand na dagtekening van die brieven alsnog de nog
verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen te betalen
of door aan te tonen dat het niet betalen van die aanslagen hem niet toe
te rekenen is. In een reactie op die brieven heeft appellant gewezen op
een bij de rechtbank te Leeuwarden aanhangige gerechtelijke procedure en
op het feit dat zijns inziens de aanslagen niet definitief zijn
vastgesteld.
Bij besluiten van 18 december 1998 heeft gedaagde aan appellant
medegedeeld dat hij, op grond van de artikelen 18 en 18a van de Wet
financiering volksverzekeringen (Wfv), schuldig nalatig is de over de
jaren 1993 en 1994 verschuldigde premie krachtens de AOW te betalen. Bij
beschikking op bezwaar van 14 april 1999 (besluit I) heeft gedaagde het
bezwaar van appellant tegen de schuldignalatigverklaring over 1993
ongegrond verklaard. Bij beschikking op bezwaar van dezelfde datum
(besluit II) heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen de schuldignalatigverklaring over 1994 eveneens ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond
verklaard.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat door toedoen van de
belastingdienst en het openbaar ministerie de administratie van
appellant, waaruit de juiste omvang van zijn premieschuld dient te
worden afgeleid, is zoekgeraakt, zodat de aanslag over 1994 onjuist moet
worden geacht. De aanslagen over 1993 en 1994 zouden niet definitief
zijn. Voorts zou appellant nimmer een aanslag over 1994 ten bedrage van
fl. 4.817,= hebben ontvangen. Appellant zou over het tweede kwartaal van
1995 een vordering op de belastingdienst hebben van fl. 348.265,=. Zo er
al sprake zou zijn van een premieschuld, dan zou de belastingdienst deze
hebben kunnen verrekenen met de openstaande vordering van appellant. Van
schuldige nalatigheid kan dan volgens appellant geen sprake zijn.
De Raad overweegt als volgt.
Met betrekking tot het jaar 1993 heeft appellant reeds in bezwaar een
(definitieve) aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen
overgelegd ten bedrage van fl. 83.903,=. De vervaldatum van deze aanslag
was 30 november 1995. Aan de Raad is niet gebleken dat tegen deze
aanslag rechtsmiddelen zijn aangewend. Als zodanig kan de Raad met name
niet beschouwen de brief van appellant aan de belastingdienst Heerenveen
van 9 augustus 1995, waarbij appellant aan de belastingdienst een
voorstel doet tot verrekening van onder andere deze aanslag, en de brief
van appellant van 20 juni 2002 aan de belastingdienst te Zwolle, waarin
appellant bezwaar maakt tegen verrekening van een voorlopige teruggave
over het jaar 2001 met een belastingschuld over 1993. De Raad gaat er
derhalve van uit dat de aanslag over 1993 rechtens is komen vast te
staan.
De Raad heeft voorts uit de door appellant in hoger beroep overgelegde
stukken niet kunnen afleiden dat de premie over 1993 is verrekend met
een vordering van appellant op de belastingdienst, welke overigens, naar
appellant ter terechtzitting van de Raad heeft doen weten, nog voorwerp
is van een cassatieprocedure. De Raad houdt het er derhalve voor dat
appellant de over 1993 verschuldigde premies volksverzekeringen niet
heeft betaald.
Op grond van artikel 18, tweede lid, van de Wfv is appellant derhalve
nalatig de over 1993 verschuldigde premie te betalen, tenzij hij
aantoont dat er omstandigheden zijn op grond waarvan het niet betalen
hem niet kan worden toegerekend. Naar het oordeel van de Raad is
appellant hierin niet geslaagd. Gedaagde heeft appellant over het jaar
1993 derhalve op goede gronden schuldig nalatig verklaard.
Met betrekking tot het jaar 1994 gaat de Raad er op grond van de door
gedaagde in eerste aanleg overgelegde systeemprints van de
belastingdienst Lelystad van 8 februari 2001 van uit dat op 28 februari
1997 een definitieve aanslag ten bedrage van fl. 4.797,= is verzonden.
Appellant heeft gesteld deze nimmer te hebben ontvangen doch is er naar
het oordeel van de Raad niet in geslaagd dit op de voet van artikel 18a
van de Wfv in voldoende mate aannemelijk te maken. De Raad acht het
aannemelijk dat de premieaanslag in ieder geval in het kader van het op
16 april 1997 uitgesproken faillissement van appellant bij de curator in
dit faillissement is aangemeld en dat appellant langs deze weg kennis
van de aanslag heeft gekregen. Van rechtsmiddelen tegen deze aanslag is
de Raad niet gebleken. Evenmin is gebleken van verrekening met de over
1994 verschuldigde premie met een vordering van appellant op de
belastingdienst. De Raad houdt het er derhalve voor dat appellant ook de
over 1994 verschuldigde premies volksverzekeringen niet heeft betaald.
Voorzover appellant zijn beroep tegen de schuldignalatigverklaring over
1994 heeft willen baseren op de stelling dat deze aanslag niet met
juistheid kon worden vastgesteld omdat bepaalde administratieve
bescheiden over dat jaar door toedoen van de belastingdienst of het
Openbaar Ministerie in het ongerede zijn geraakt, merkt de Raad op dat
blijkens artikel 18a van de Wfv het beroep tegen een schuldignalatigverklaring niet kan zijn gegrond op het verweer dat de aanslag
ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
De Raad is niettemin van oordeel dat besluit II niet in stand kan
blijven. Daartoe overweegt de Raad als volgt.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 30 januari 2002, AB 2002/182,
overwogen dat wanneer de SVB door de reactie van de belanghebbende op
zijn aankondiging van een voorgenomen schuldignalatigverklaring op de
hoogte geraakt van omstandigheden die, gelet op het ter zake door de SVB
gevoerde beleid, van betekenis kunnen zijn voor een beoordeling van de
verwijtbaarheid van het niet betalen van premie, de SVB een nader
onderzoek dient in te stellen naar alle relevante omstandigheden met
betrekking tot de vraag of het niet betalen van de belasting en premie
de betrokkene, gelet op de door hem genoemde omstandigheid, kan worden
verweten. Naar het oordeel van de Raad geldt deze regel evenzeer als
gedaagde in het kader van de voorbereiding van een primair besluit of
een besluit op bezwaar inzake schuldige nalatigheid op andere wijze dan
door een mededeling van de belanghebbende op de hoogte geraakt van
dergelijke omstandigheden.
In casu heeft de belastingdienst in zijn brieven van 14 september 1998
aan gedaagde laten weten dat er sprake is geweest van een faillissement
dat is opgeheven wegens gebrek aan baten. Gedaagde heeft naar aanleiding
van deze melding uitsluitend onderzocht op welke datum het faillissement
is uitgesproken en op welke datum het is opgeheven. Gedaagde heeft
echter nagelaten een nader onderzoek in te stellen, met name bij de
belastingdienst en eventueel ook bij de curator of de
rechter-commissaris in het faillissement van appellant, naar de
relevante omstandigheden met betrekking tot de vraag of op grond van het
faillissement van appellant in 1997 aangenomen moet worden dat het niet
betalen van de opgelegde aanslag appellant wellicht niet kan worden
verweten. Een dergelijk onderzoek zal zich in het algemeen moeten
richten op de vraag wanneer de voorlopige en definitieve
(premie)aanslagen
invorderbaar zijn geworden en of de belanghebbende gelden heeft
gereserveerd of bij een normale bedrijfsvoering had kunnen reserveren
voor de te verwachten aanslagen inkomstenbelasting en premie
volksverzekeringen. Tevens kan van belang zijn of het faillissement als
zodanig moet worden geacht aan de belanghebbende te kunnen worden
verweten.
Met betrekking tot het onderhavige geval merkt de Raad daarbij nog op
dat de door appellant verschuldigde premie volksverzekeringen over 1994
bij kennisgevingen van 12 juli 1996 op nihil is gesteld. Van appellant
kon derhalve, totdat hij een nieuwe kennisgeving ontving waaruit bleek
dat over 1994 toch premie volksverzekeringen verschuldigd was, vanaf dat
moment niet worden gevergd dat hij gelden reserveerde of gereserveerd
hield ter voldoening van een eventuele nadere premieaanslag over dat
jaar.
Nu gedaagde een onderzoek als hierboven omschreven niet heeft ingesteld
kan besluit II wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) geen stand houden. De aangevallen uitspraak dient in
zoverre te worden vernietigd, evenals besluit II.
De Raad acht ten slotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van
de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in
beroep en in hoger beroep. De Raad gaat er daarbij van uit dat er ook in
eerste aanleg sprake is van samenhangende zaken, die op grond van
artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht dienen
te worden aangemerkt als één zaak. De gemaakte kosten worden begroot
op € 322,= voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg, en op €
30,46 aan reiskosten in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover deze betrekking heeft op
de schuldignalatigverklaring van appellant over 1994;
Verklaart het beroep in zoverre gegrond en vernietigt besluit II;
Bepaalt dat gedaagde met betrekking tot het jaar 1994 een nieuw besluit
op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg
tot een bedrag groot € 322,= en in hoger beroep tot een bedrag groot
€ 30,46, te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan de griffier
van de Raad;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het betaalde recht
van € 131,59 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 april 2003.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|