|
Uitspraak
02/5067 WFV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Zuid-Afrika), appellante,
en
de Raad van bestuur van het de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3,4, en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voor zover het betreft
de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door
de Sociale verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Bij besluit van 5 september 2001 heeft gedaagde de premie voor de
vrijwillige verzekering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de
Algemene nabestaandenwet (Anw) over de periode van 1 januari 2001 tot en
met 17 juli 2001 vastgesteld op een bedrag van f 511,22. Het bezwaar dat
appellante tegen dat besluit heeft gemaakt, heeft gedaagde bij het
bestreden besluit van 6 november 2001 ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 22 augustus 2002, nr. AWB
01/4447 WFV, het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep ongegrond verklaard.
Op de in het beroepschrift vermelde gronden heeft appellante tegen
bovengenoemde uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 januari
2004, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft
laten vertegenwoordigen door A. van Scherpenzeel, werkzaam bij de
Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
In dit geding is de vraag aan de orde of gedaagde de premie voor de
vrijwillige verzekering over de periode van 1 januari 2001 tot en met 17
juli 2001 juist heeft vastgesteld.
De rechtbank heeft deze vraag in de aangevallen uitspraak bevestigend
beantwoord; daartoe is in de aangevallen uitspraak het volgende
overwogen:
"In artikel 25 van de Wet Financiering Volksverzekeringen (Wfv) is
bepaald dat degene die is toegelaten tot de vrijwillige
ouderdomsverzekeringen of de vrijwillige nabestaandenverzekering, voor
die verzekeringen een premie verschuldigd is volgens het bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen tarief. Deze premie
wordt blijkens artikel 8 van de Wfv
geheven over het belastbare inkomen
uit werk en woning in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001.
In het besluit vrijwillige verzekering AOW en Anw van 8 mei 2001, Stb.
224 (hierna KB 224) is voorgeschreven hoe de premie dient te worden
vastgesteld. Dit besluit is met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001
op 8 mei 2001 in werking getreden. Met dit besluit zijn de wettelijke
bepalingen met betrekking tot de vrijwillige verzekering AOW en Anw
gewijzigd. Een van de wijzigingen van de vrijwillige verzekering betreft
de verhoging van de minimumpremie.
De rechtbank constateert dat verweerder op grond van de beschikbare
gegevens de premie voor eiseres over de periode van 1 januari 2001 tot
en met 17 juli 2001 heeft vastgesteld op f 511,22 en dat eiseres dit
bedrag inmiddels heeft voldaan. Het bestreden besluit houdt niet in dat
eiseres naast dit bedrag aan premie voor haarzelf nog eens f 934,20 moet
betalen.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat de vaststelling van de premie
heeft plaatsgevonden conform de voorschriften van de Wfv
en KB
224."
In (hoger) beroep is van de kant van appellante aangevoerd dat zij
gezien de leeftijd van haarzelf (zij is geboren op 18 juli 1936) en haar
echtgenoot (geboren 29 september 1928) niet (langer) verzekerd wil zijn
en dat de voorlichting voor haar leeftijdsgroep onvoldoende is geweest.
Hetgeen van de kant van appellante in dit verband is aangevoerd, heeft
de Raad echter niet tot een andere opvatting dan de rechtbank gebracht.
De Raad is dan ook van oordeel dat de aangevallen uitspraak met
overneming van de daarin gebezigde gronden dient te worden bevestigd.
De Raad voegt daaraan - ten overvloede - nog het volgende toe. Ter
zitting van de Raad heeft de gemachtigde van gedaagde verklaard dat
gedaagde in februari 2001 een brief aan de vrijwillig verzekerden heeft
verzonden met de vraag of zij per 1 januari 2001 zowel voor de AOW als
de Anw verzekerd wilden blijven en dat appellante toen heeft aangegeven
voor beide wetten verzekerd te willen blijven. Voorts heeft hij
verklaard dat in dat verband gedaagde het beleid hanteerde om binnen
één jaar na genoemde brief gedane verzoeken om terug te komen op een
eventueel gemaakte keuze te honoreren. Desgevraagd heeft de gemachtigde
van gedaagde verklaard dat het door appellante bij de rechtbank
ingediende beroepschrift tevens als een zodanig verzoek kan worden
gezien en derhalve alsnog gehonoreerd dient te worden. De Raad vertrouwt
erop dat gedaagde alsnog tot besluitvorming in die zin zal overgaan.
De Raad acht ten slotte in het onderhavige geval geen termen aanwezig om
toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht.
Uit vorenstaande vloeit voort dat dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|