|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/3207 WFV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te Indonesiλ, appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft
de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde
de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend
door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant is K.T. Njo op bij beroepschrift aangevoerde gronden in
hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6
juni 2002, reg.nr. AWB 01/3531 WFV, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij schrijven van 4
maart 2003 nog enige stukken in het geding gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 juli
2004, waar appellant en zijn gemachtigde, met kennisgeving, niet zijn
verschenen en waar namens gedaagde mr. G.A.A. Josseling is verschenen,
werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft appellant bij besluit van 5 juli 2001 de nota in verband
met zijn vrijwillige verzekering ingevolge de Algemene
Ouderdomswet/Algemene nabestaandenwet (AOW/Anw) toegestuurd, waarbij is
vastgesteld dat appellant een inkomen heeft van f 501,- (nu: 227,34)
en de verschuldigde premie over het jaar 2001 f 934,20 (nu: 423,92)
zal zijn.
Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, daartoe aanvoerende
dat de verschuldigde premie meer bedraagt dan het vastgesteld inkomen,
hetgeen zijn inziens niet mogelijk zou moeten zijn. Gedaagde heeft bij
het bestreden besluit van 20 september 2001 appellants bezwaar ongegrond
verklaard.
De rechtbank heeft het standpunt van gedaagde onderschreven. De
rechtbank heeft hiertoe het volgende overwogen (waarbij appellant als
eiser is aangeduid en gedaagde als verweerder):
"Op 18 mei 2001 is met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 het
Koninklijk besluit vrijwillige verzekering AOW en Anw 2001 van 8 mei
2001, Stb. 2001, 224 (KB 224) in werking getreden. Op grond van het
bepaalde in artikel 5, derde lid van het KB 224 bedraagt de
minimumpremie ingaande 1 januari 2001 10% van de maximumpremie. De
minimumpremie over het jaar 2001 bedraagt f. 934,20,-. De rechtbank
constateert dat eiser de hoogte van deze premie niet heeft betwist. De
rechtbank is evenmin gebleken dat er sprake is van een onjuiste
vaststelling van de hoogte van de minimumpremie.
Het KB 224 kent geen mogelijkheid op grond waarvan verweerder de
minimumpremie op een lager bedrag kan vaststellen. Voorgaande bepalingen
zijn van dwingend recht. Dit betekent dat daarvan in beginsel niet kan
worden afgeweken. Er zijn echter bijzondere omstandigheden denkbaar
waarin strikte toepassing van dwingendrechtelijke bepalingen zozeer in
strijd is met algemene rechtsbeginselen, dat op die grond toepassing
daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. De rechtbank is met verweerder
echter van oordeel dat het feit dat het inkomen van eiser in 2001
slechts f. 501,- bedraagt, niet kan worden aangemerkt als bovenbedoelde
bijzondere omstandigheid.
Het bestreden besluit houdt derhalve in rechte stand."
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte
geen rekening gehouden heeft met de onmacht van het niet kunnen
uitvoeren van de verplichtingen. Er is door de rechtbank geen rekening
gehouden met bijzondere omstandigheden.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad ziet geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft
gedaan, te weten dat de hoogte van de (minimum)premie overeenkomstig KB
224 op de juiste wijze is berekend, dat hier sprake is van dwingend
recht en dat het lage inkomen van appellant geen bijzondere
omstandigheid vormt die tot afwijking van deze dwingendrechtelijke
bepalingen noodzaakt, en maakt de overwegingen van de rechtbank tot de
zijne.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 augustus
2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|