|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/6156 WFV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende in Turkije, appellant,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. C.L. Koets Bolhuis, advocaat te
’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen door de
rechtbank Amsterdam op 11 november 2003 onder kenmerk 01/4490 gewezen
uitspraak.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 februari 2005.
Appellant heeft zich bij die gelegenheid niet doen vertegenwoordigen.
Gedaagde is verschenen bij gemachtigde mr. C.A.J. Mastenbroek, werkzaam
bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant keert zich in hoger beroep tegen de omstandigheid dat over
zijn jaarinkomen gebaseerd op een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van ruim f 30.000,- de
premienota voor zijn vrijwillige verzekering op basis van de Algemene
Ouderdomswet (AOW), respectievelijk de Algemene nabestaandenwet (Anw)
over het jaar 2001 ten bedrage van f 4078,- aanmerkelijk hoger is
uitgevallen dan over het jaar 2000, toen slechts f 2788,- verschuldigd
was. Appellant beargumenteert dit door erop te wijzen dat er sprake is
van een bijzonder geval, waarop een wettelijke hardheidsclausule van
toepassing is en waarbij met name betrokken dient te worden dat de
regering heeft toegezegd dat de minima door de nieuwe
belastingregelgeving niet erop zouden achteruitgaan. Hij acht zich door
het besluit op bezwaar van gedaagde van 8 november 2001 waarin met dit
laatste geen rekening is gehouden onevenredig benadeeld en meent dat
zulks ook het geval is met de aangevallen uitspraak van de rechtbank
Amsterdam waarbij zijn beroep ongegrond is verklaard.
De Raad overweegt te dien aanzien dat hij de zienswijze van de rechtbank
deelt dat niet gebleken is dat er sprake is van een onjuiste
vaststelling van de hoogte van de betrokken premie over het jaar 2001.
Er is sprake van een correcte toepassing van artikel 48 van de Wet
financiering volksverzekeringen (Wfv), inzonderheid van artikel 5,
eerste lid van het Koninklijk besluit vrijwillige verzekering AOW en Anw
2001 van 8 mei 2001, Stb. 2001, 224 onder mindering van de in artikel
8:10 van de Wet inkomstenbelasting 2001 vervatte heffingskorting.
Daarbij is, anders dan appellant stelt, geen mitigerende
hardheidsclausule door de regelgever gegeven om effecten als het
vervallen van de betrokken tariefgroep 3 ( voor een gehuwde met een
partner zonder inkomsten) met als gevolg premieverhoging te kunnen
compenseren. Het is aan de rechter niet toegestaan bij nagenoeg
gelijkblijvende jaarinkomsten op een andere wijze de premie over 2001 te
verzachten, aangezien het hem allereerst niet vrijstaat de innerlijke
waarde en de billijkheid van de anno 2001 vigerende materieel wettelijke
regeling te beoordelen. Daarenboven is hem in tegenstelling tot
appellant niet gebleken van een zodanig bijzonder geval dat strikte
toepassing van voorliggende dwingendrechtelijke regelgeving in die mate
in strijd komt met de algemene rechtsbeginselen dat uit hoofde hiervan
de toepassing geen rechtsplicht meer kan zijn. Daardoor kan te dezen
evenmin van een voor enige compensatie vatbare onevenredige benadeling
van appellant gesproken worden, nu regeringsvoornemens in algemene zin
om de minima te ontzien niet kunnen afdoen aan de toepasselijkheid van
specifieke regelgeving, welke als geldend en direct toepasbaar in juist
een casuspositie als de onderhavige dient te worden aangemerkt.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van appellant
geen doel kan treffen.
De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gegeven door mr. B.J. van der Net in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2005.
(get.) B.J. van der Net
(get.) A. Kovács.
|
|