|
Uitspraak
00/5125 WIK
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente 's-Gravenhage, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. G. Martin, advocaat te Alkmaar, op de bij
aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen
een door de rechtbank 's-Gravenhage op 17 augustus 2000 tussen partijen
gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellante is een nader stuk in het geding gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van 8 juli 2003, waar appellente in
persoon is verschenen, bijgestaan door mr. E. van der Hoeven, advocaat
te Alkmaar, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr.
E.H. Buizert, werkzaam bij de gemeente 's-Gravenhage.
II. MOTIVERING
Appellante, geboren in 1972, heeft zich op 8 januari 1999 bij gedaagde
gemeld met het verzoek haar een uitkering ingevolge de Wet
inkomensvoorziening kunstenaars
(Wik) naar de norm voor een alleenstaande toe te kennen. Bij besluit van
29 januari 1999 is deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellante
beschikt of kan beschikken over een vermogen dat meer bedraagt dan de
voor een alleenstaande toepasselijke vermogensgrens van f 9.850,--. Het
tegen dat besluit gemaakt bezwaar is bij besluit van 23 juli 1999
ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daarbij het standpunt ingenomen dat
appellante beschikt over een aandeel in een onverdeelde erfenis ten
bedrage van f 141.315,83 en dat zij haar stelling, dat dit bedrag
noodzakelijk is voor de uitoefening van haar beroep, onvoldoende met
gegevens heeft onderbouwd.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 23 juli 1999 ingestelde
beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer
geoordeeld dat redelijkerwijs aannemelijk is dat appellante ten tijde
van de aanvraag haar aandeel in de onverdeelde nalatenschap van haar
grootmoeder direct te gelde kon maken, zodat zij feitelijk de
mogelijkheid had om dit vermogen aan te wenden om in de noodzakelijke
kosten van het bestaan te voorzien.
Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd - kort weergegeven - dat
zij feitelijk niet kon beschikken over haar aandeel in de erfenis van
haar grootmoeder, aangezien de erfgenamen hebben afgesproken dat dit
vermogen slechts voor bepaalde doeleinden kon worden vrijgemaakt, zulks
overeenkomstig de wensen van de erflaatster. Deze heeft kenbaar gemaakt
dat de erfenis van appellante diende als ondernemingsvermogen, als
middel tot financiering van de aankoop van een bedrijfspand. Appellante
stelt zich voorts op het standpunt dat haar aandeel in de erfenis moet
worden beschouwd als zakelijk vermogen noodzakelijk voor de uitoefening
van haar beroep omdat zij voornemens is dit aandeel aan te wenden voor
de aanschaf van een eigen studio.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de WIK, de Algemene bijstandswet (Abw)
en de op die wetten berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde
hier van belang.
Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a van de Wik wordt onder middelen
verstaan: alle vermogens- en inkomensbestanddelen bedoeld in Hoofdstuk
IV, afdeling 3, van de Abw, waarover de belanghebbende en zijn gezin
beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken.
Ingevolge artikel 42 van de Abw worden tot de middelen gerekend alle
vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het
gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
Artikel 52, tweede lid, aanhef en onder b, van de Abw bepaalt dat voor
de zelfstandige niet als vermogen in aanmerking wordt genomen het voor
de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep noodzakelijk
vermogen.
Op grond van de stukken, waarvan met name genoemd het schrijven van de
ING-Bank van 27 juni 2003, alsmede de van de zijde van appellante ter
zitting gegeven toelichting stelt de Raad vast dat appellante en de
overige erfgenamen na het overlijden van de erflaatster de gelden van
hun erfenis op 31 juli 1996 hebben gestort in een effectendepot en dat
de vader van appellante, [naam vader], voor dit depot volledig
zelfstandig beschikkingsbevoegd is met uitsluiting van ieder ander. Dit
betekent naar het oordeel van de Raad dat appellante niet een aandeel
heeft in een ongedeelde erfenis, maar haar erfenis heeft gestort in een
door haar vader beheerd depot, waarvan haar aandeel ten tijde in geding
een waarde vertegenwoordigde van f 141.315,83.
De Raad wijst er vervolgens op dat appellante zelf zowel ter zitting bij
de rechtbank als in hoger beroep naar voren heeft gebracht dat zij in
juridische zin over haar aandeel in het effectendepot kan beschikken.
Alhoewel appellante aanvoert dat zij met de overige erfgenamen heeft
afgesproken dat overeenkomstig de wens van haar grootmoeder zij haar
aandeel slechts mag aanwenden voor bepaalde doeleinden, heeft zij deze
wens van haar grootmoeder, noch de gestelde met de overige erfgenamen
gemaakte afspraken met stukken aangetoond. De Raad acht dan ook niet
aannemelijk gemaakt dat appellante niet zonder medewerking van de
overige erfgenamen van haar vader, als beheerder van het effectendepot,
kan vorderen dat hij op haar aanwijzing haar aandeel in het depot geheel
of gedeeltelijk te gelde maakt.
Nu moet worden aangenomen dat appellante ten tijde in geding haar
aandeel in het effectendepot direct kon opeisen dan wel daarover
redelijkerwijs kon beschikken en voorts, gelet op artikel 7 van de Abw,
de term beschikken naar het oordeel van de Raad ziet op de mogelijkheid
van een belanghebbende om feitelijk het inkomens- of
vermogensbestanddeel te kunnen aanwenden teneinde in de noodzakelijke
kosten van het bestaan te voorzien, betekent dit dat het onderhavige
aandeel van appellante in het depot ingevolge artikel 42 van de Abw tot
haar middelen diende te worden gerekend.
Met betrekking tot appellentes grief dat haar aandeel in het
effectendepot gelet op artikel 52, tweede lid, aanhef en onder b, van de
Abw niet als vermogen in aanmerking wordt genomen omdat het voor de
uitoefening van haar zelfstandig beroep noodzakelijk vermogen betreft,
overweegt de Raad als volgt.
In het midden latend of appellante is aan te merken als een zelfstandige
waarop deze bepaling ziet, is de Raad uit de beschikbare gegevens
slechts gebleken dat ten tijde hier in geding appellantes aandeel in het
effectendepot een onbepaalde bestemming had. Dat dit aandeel ten tijde
in geding reeds de bestemming bedrijfsvermogen had, is door appellante
onvoldoende aangetoond. De door haar vader ter hoorzitting in bezwaar en
ter zitting bij de rechtbank gegeven toelichting acht de Raad
onvoldoende om aan te kunnen nemen dat ten tijde in geding sprake was
van een voor de toepassing van de Abw en Wik niet in aanmerking te nemen
vermogen.
Aangezien de waarde van appellantes aandeel in het effectendepot ten
tijde in geding ruimschoots lag boven de in artikel 54 van de Abw
vermelde vermogensgrens en de Raad voorts niet is gebleken van schulden,
waarvan vaststaat dat daaraan een daadwerkelijke verplichting tot
terugbetaling is verbonden, moet worden geoordeeld dat appellante ten
tijde als hier van belang beschikte over voldoende middelen om te
voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoel in
artikel 4, aanhef en onder a, van de Wik. Gedaagde heeft dan ook
appellantes aanvraag om een uitkering ingevolge de Wik terecht
afgewezen.
Gelet op het vorenoverwogene dient de aangevallen uitspraak te worden
bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep ziet de Raad
ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en
mr. R.M. van Male en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in
tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en
uitgesproken in het openbaar op 9 september 2003.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|