|
Uitspraak
01/4500 WIK
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 juli 2001,
reg.nr. 00/4352 WIK, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde heeft mr. J.A. van den Berg, advocaat te Amsterdam, een
verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 3 februari 2004, waarvoor
appellant is verschenen mr. L.M. Mulder, werkzaam bij de gemeente
Amsterdam, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door
mr. J.A. van den Berg.
II. MOTIVERING
Gedaagde, geboren in 1980, heeft op 30 juni 1999 het diploma van
secundair onderwijs behaald in de studierichting ballet aan het
Stedelijk Instituut voor Ballet (hierna: SIB) te Antwerpen (België).
Zij heeft bij appellant een aanvraag ingediend voor een uitkering op
grond van de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars (Wik).
Nadat het Voorzieningsfonds voor Kunstenaars (VvK), dat zich ter zake
heeft laten informeren door de Stichting Nederlandse organisatie voor
internationale samenwerking in het hoger onderwijs (Nuffic), desgevraagd
advies had uitgebracht, heeft appellant die aanvraag bij besluit van 16
november 1999 afgewezen. Deze afwijzing is, voorzover hier van belang,
gebaseerd op de grond dat gedaagde niet binnen twaalf maanden
voorafgaande aan de aanvraag met goed gevolg een voortgezette opleiding
op het gebied van de kunst heeft afgerond.
Het tegen het besluit van 16 november 1999 gemaakte bezwaar heeft
appellant bij besluit van 28 juli 2000 ongegrond verklaard. Appellant
heeft - samengevat - overwogen dat vaststaat dat de door gedaagde
afgeronde opleiding geen opleiding op het gebied van de kunst is als
bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Naar aanleiding van de door het VvK van de Nuffic ontvangen informatie
is voorts gebleken dat de opleiding van gedaagde evenmin door de
minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is gelijk gesteld met
de eerder genoemde opleidingen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door gedaagde tegen
het besluit van 28 juli 2000 ingesteld beroep gegrond verklaard, dat
besluit vernietigd, bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar
neemt en beslissingen gegeven ter zake van griffierecht en proceskosten.
De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 28 juli 2000 is genomen
in strijd met artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ter
onderbouwing van dit oordeel heeft zij overwogen dat het VvK als
adviesorgaan niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe het tot zijn oordeel is
gekomen. Indien het VvK zich baseert op uitspraken van de Nuffic dan
ligt het, aldus de rechtbank, op zijn weg om bij de Nuffic aan te
dringen op een deugdelijke motivering. Alleen op die wijze is het voor
appellant mogelijk te toetsen of de uiteindelijke beslissing op de
aanvraag op het uitgebrachte advies kan worden gebaseerd.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 4, aanhef en onder c, van de Wik heeft de kunstenaar
recht op uitkering indien hij de aanvraag op grond van deze wet heeft
ingediend binnen 12 maanden nadat hij met goed gevolg een opleiding op
het gebied van de kunst, een voortgezette opleiding op het gebied van de
kunst, of een voortgezette opleiding bouwkunst als bedoeld in de Wet op
het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek heeft voltooid
voorzover deze opleiding gericht is op de uitoefening van het
kunstenaarsschap, dan wel een daarmee vergelijkbare door de Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) aan te wijzen opleiding heeft
voltooid.
Ten tijde in geding was het VvK de instelling als bedoeld in artikel 26
van de Wik die tot taak heeft burgemeester en wethouders van advies te
dienen of de aanvraag is ingediend door een kunstenaar als bedoeld in
artikel 4, aanhef en onder c, van de Wik.
Ter uitvoering van artikel 4, aanhef en onder c, van de Wik is de
Regeling Wet inkomensvoorziening
kunstenaars (hierna: de Regeling)
vastgesteld.
Artikel 1 van de Regeling noemt een aantal in (Nederland gevestigde)
instellingen als vergelijkbare opleidingen zoals bedoeld in artikel 4,
aanhef en onder c, van de Wik. Artikel 2 van de Regeling bepaalt
vervolgens dat uitsluitend de adviserende instelling bedoeld in artikel
26 van de Wik de Minister van OCW kan verzoeken buitenlandse opleidingen
aan te wijzen als vergelijkbare opleidingen bedoeld in artikel 4, aanhef
en onder c, van de Wik. Ten slotte heeft de Minister van OCW in artikel
3 van de Regeling aan (de algemeen directeur van) de Nuffic mandaat
verleend de besluiten als bedoeld in artikel 2 van de Regeling te nemen.
De Raad leidt uit de tekst van artikel 4, aanhef en onder c, van de Wik
af dat de kunstenaar als bedoeld in die wet een opleiding op het gebied
van de kunst moet hebben genoten bedoeld in de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek dan wel een opleiding op het
gebied van de kunst die, wat het niveau van die opleiding betreft,
hiermee op één lijn is te stellen.
Vaststaat dat de door gedaagde aan het SIB te Antwerpen gevolgde
balletopleiding niet is opgenomen in de opsomming van artikel 1 van de
Regeling.
De door gedaagde ingediende stukken omtrent de door haar gevolgde
opleiding zijn door het VvK aan de Nuffic ter hand gesteld. De Nuffic
heeft vervolgens aan het VvK bericht dat is besloten de door gedaagde
gevolgde opleiding niet toe te voegen aan de door de Nuffic in het kader
van de Wik opgestelde lijst van buitenlandse kunstopleidingen. Als
toelichting hierbij is vermeld dat de opleiding aan het SIB geen
opleiding is in het hoger onderwijs maar een opleiding in het secundair
onderwijs. Gelet hierop heeft het VvK aan appellant het advies
uitgebracht dat gedaagde niet kan worden beschouwd als een kunstenaar
bedoeld in artikel 4, aanhef en onder c, van de Wik, welk advies
gedaagde heeft gevolgd.
De Raad overweegt dat appellant mag afgaan op het advies van het VvK
indien vaststaat dat het door de adviseur ingestelde onderzoek op een
zorgvuldige wijze heeft plaats gevonden en dat het advies op een
deugdelijke motivering berust.
Gebleken is dat het VvK ter beantwoording van de aan hem door appellant
voorgelegde vraag zich heeft verstaan met de Nuffic.
Van de zijde van gedaagde is naar voren gebracht dat getwijfeld moet
worden aan de juistheid van het onderzoek door de Nuffic omdat de
onderwijssystemen van België en Nederland zich moeilijk met elkaar
laten vergelijken en dat de opleiding aan het SIB in België de hoogst
mogelijke opleiding op het gebied van de klassieke dans vertegenwoordigt
die geregeld afgestudeerde dansers aan gerenommeerde gezelschappen
aflevert.
In aanmerking genomen evenwel dat, zoals ook is vermeld in Nota van
toelichting bij de Regeling, de Nuffic geacht moet worden bij uitstek
deskundig te zijn in het beoordelen van de vergelijkbaarheid van
buitenlandse opleidingen op het terrein van het hoger onderwijs, leidt
hetgeen door gedaagde naar voren is gebracht de Raad niet tot het
oordeel dat appellant in dit geval niet had mogen afgaan op het advies
van het VvK nu in het bijzonder de vraag naar het niveau van de door
gedaagde gevolgde opleiding voorlag en door Nuffic is beoordeeld.
Gedaagde is er onvoldoende in geslaagd aannemelijk te maken dat de door
de Nuffic gehanteerde motivering geen stand kan houden. Appellant heeft
zich dan ook in redelijkheid op het advies van het VvK kunnen baseren.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt en dat de
aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. Th.C.
van Sloten en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2004.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) L. Jörg.
|
|