|
Uitspraak
voorzieningenrechter 04/2153 WIK-VV
U I T S P R A A K
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
verzoeker,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. INLEIDING
Verzoeker heeft op de in het beroepschrift vervatte gronden hoger beroep
ingesteld tegen de door de rechtbank Amsterdam op 11 maart 2004 tussen
partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 03/310 WIK, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Bij afzonderlijk schrijven van 19 april 2004 heeft verzoeker tevens
verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb).
II. MOTIVERING
Gedaagde is werkzaam als regisseur. Zij vroeg op 2 oktober 2000 gedaagde
haar een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik)
toe te kennen. Bij besluit van 29 januari 2001 heeft verzoeker de
uitkering met ingang van 20 september 2000 aan gedaagde toegekend en wel
voorlopig in de vorm van een renteloze geldlening.
Bij besluit van 15 juli 2002 heeft verzoeker de Wik-uitkering van
gedaagde over de periode van 20 september 2000 tot en met 31 december
2000 definitief vastgesteld op € 744,78 en de verleende uitkering tot
dit bedrag omgezet in een uitkering om niet. Voorts is bepaald dat de
lening over deze periode gehandhaafd wordt tot een bedrag van € 900,92
en dat zij dit bedrag moet terugbetalen.
Gedaagde heeft tegen het besluit van 15 juli 2002 bezwaar gemaakt en
daarbij onder meer verwezen naar de haar in het besluit van 29 januari
2001 verstrekte informatie over de wijze waarop de definitieve
vaststelling van haar Wik-uitkering zal plaatsvinden.
Bij besluit van 10 december 2002 heeft verzoeker het bezwaar van
gedaagde ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten - het tegen het besluit van 10 december
2002 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en
verzoeker opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Naar het
oordeel van de rechtbank heeft verzoeker gedaagde onjuiste en
gedragsbepalende informatie verschaft over de wijze van berekening van
de definitieve Wik-uitkering. Voorts is onvoldoende gemotiveerd waarom
in het onderhavige geval niet afgeweken zou moeten worden van de in
artikel 10 van de Wik dwingendrechtelijk voorgeschreven wijze van
vaststelling van de uitkering en/of de daaraan verbonden terugvordering
van het deel van de uitkering dat als lening moet worden aangemerkt.
Naar aanleiding van het thans gedane verzoek om een voorlopige
voorziening overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in
verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak
van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als
omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de
voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening
treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat
vereist.
Hetgeen in het verzoekschrift is gesteld levert geen grond om te
oordelen dat er sprake is van een spoedeisend belang. De stelling dat
uitvoering geven aan de aangevallen uitspraak zou inhouden dat verzoeker
gehouden zou zijn in het nieuw te nemen besluit op bezwaar een uitkering
krachtens de Wik contra legem te verstrekken, miskent dat over de in
geding zijnde periode reeds een Wik-uitkering aan gedaagde is verstrekt.
Indien verzoeker in afwachting en onder voorbehoud van de uitkomst van
het ingestelde hoger beroep alsnog besluit de gehele over die periode
verleende Wik-uitkering om te zetten in een uitkering om niet en de
Raad, beslissende in de hoofdzaak, zou tot de slotsom komen dat het
besluit van 10 december 2002 in rechte stand kan houden, leidt dit tot
een vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot een
vernietiging van het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen
besluit.
Voorts acht de voorzieningenrechter de enkele omstandigheid dat de
aangevallen uitspraak naar het oordeel van verzoeker niet in stand zal
kunnen blijven, bepaald onvoldoende grondslag voor het oordeel dat enig
spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vordert.
Ten slotte wijst de voorzieningenrechter er nog op dat de mogelijkheid
om (hangende) hoger beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te
doen niet bedoeld is om door middel van de zogenoemde kortsluiting de
behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend
belang bij een voorlopige voorziening geen sprake is, is daarin een
grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste
lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen
in de hoofdzaak en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen
(zie ook de uitspraak van 18 november 2003, gepubliceerd in RSV
2004/83).
Het verzoek om een voorlopige voorziening is daarom kennelijk ongegrond,
zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de
Awb uitspraak kan doen zonder zitting.
De voorzieningenrechter acht ten slotte geen termen aanwezig voor een
veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Wijst het verzoek om toepassing van art 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht af.
Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr.
M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 mei
2004.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) M.C.M. Hamer.
|
|