|
Uitspraak
02/2835 WIK
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. D. Simons, advocaat te Amsterdam, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24
mei 2002, reg.nr. 01/856 WIK.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 5 juli 2004, waar appellant in
persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Simons, en waar gedaagde zich
heeft laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren, werkzaam bij de
gemeente Amsterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant ontvangt een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).
Op 3 november 1999 heeft appellant een aanvraag om een uitkering op
grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik) ingediend.
Het Voorzieningenfonds voor Kunstenaars (VvK) heeft desgevraagd op 14
februari 2000 een advies inzake de beroepsmatigheid van appellant
uitgebracht. Bij besluit van 24 februari 2000 heeft gedaagde de aanvraag
van appellant afgewezen op de grond dat appellant niet als kunstenaar in
de zin van de Wik kan worden aangemerkt.
Bij besluit van 26 januari 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 24 februari 2000 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 26 januari 2001 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Wik wordt onder
kunstenaar verstaan degene die hier te lande werkzaam is in een bedrijf
of beroep ter uitvoering van de scheppende, uitvoerende of toegepaste
kunst. Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Wik heeft recht op
uitkering de kunstenaar die op het moment van inwerkingtreding van deze
wet algemene bijstand op grond van de Abw ontving en die:
a. zonder die bijstand niet over voldoende middelen beschikt om te
voorzien in de
noodzakelijke kosten van het bestaan;
b. de aanvraag op grond van deze wet heeft ingediend binnen 12 maanden
na de
inwerkingtreding ervan; en
c. gedurende een zekere periode als kunstenaar werkzaam is geweest.
Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat de wetgever de concrete
invulling van het begrip kunstenaar heeft overgelaten aan de adviserende
instelling als bedoeld in artikel 26 van de Wik, het VvK, omdat deze
instelling geacht wordt voldoende deskundigheid en ervaring in huis te
hebben om vorm en inhoud te geven aan het kunstenaarsbegrip. De
kwalificatie dat iemand in bedrijf of beroep als kunstenaar werkzaam is,
moet door individuele feitelijke omstandigheden zoals outillage,
gerealiseerde kunstproducties, presentaties, een zekere bestendigheid
van de kunstproducties, en het verwerven van een zeker inkomen met de
verkoop van de gerealiseerde kunstproducties, geschraagd worden. In
overeenstemming hiermee hanteert het VvK bij zijn advisering over de
vraag of een op het moment van inwerkingtreding van de Wik
bijstandsontvangende aanvrager gedurende een zekere periode als
kunstenaar werkzaam is geweest, een zestal ijkpunten, waarbij de zojuist
genoemde omstandigheden en de beroepsopleiding van de aanvrager worden
bezien.
De Raad is evenals de rechtbank niet gebleken dat het advies van het VvK
op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Hiertoe overweegt de Raad
dat het VvK per ijkpunt aan de hand van een door appellant ingevuld
vragenformulier met bijlagen een op de omstandigheden van appellant
toegesneden uiteenzetting heeft gegeven. Op grond van de verstrekte
gegevens heeft het VvK vervolgens geadviseerd om appellant niet aan te
merken als kunstenaar in de zin van de Wik.
De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd voorts geen grond om
voormeld advies voor onjuist te houden nu appellant niet aan de hand van
stukken heeft aangetoond of anderszins aannemelijk heeft gemaakt dat dit
advies op onjuiste gegevens is gebaseerd dan wel dat sprake is van een
onjuiste weergave van appellants omstandigheden. Aan de omstandigheid
dat appellant wegens ziekte langere tijd niet heeft kunnen produceren,
kan de Raad niet die betekenis toekennen die appellant daaraan toegekend
wenst te zien. Ter zitting is van de kant van appellant erkend dat zijn
werkzaamheden als kunstenaar dateren van vσσr 1996. In dit geding gaat
het echter om de vraag of gezegd kan worden dat appellant gedurende een
zekere periode (onmiddellijk) voorafgaand aan zijn aanvraag van 3
november 1999 als kunstenaar in de zin van de Wik werkzaam is geweest.
De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank dat appellant
door voorafgaand aan het besluit van 24 februari 2000, ondanks een
toezegging daartoe, niet in de gelegenheid te zijn gesteld een reactie
te geven op het VvK-advies, niet zodanig in zijn belangen is geschaad
dat het besluit van 26 januari 2001 niet in stand zou kunnen blijven.
Appellant heeft in de bezwaar- en beroepsfase voldoende gelegenheid
gehad om alsnog inhoudelijke bezwaren tegen het VvK-advies aan te
voeren.
Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat gedaagde zijn besluit
op het advies van het VvK kon en mocht baseren en de onderhavige
aanvraag terecht heeft afgewezen.
De Raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen
aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. A.B.J.
van der Ham en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van mr.
I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 juli
2004.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) I.D. Veldman.
|
|