|
Uitspraak
02/4983 WIK
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Amsterdam van 20 augustus 2002, reg.nr. 01/4363 WIK.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 28 september 2004, waar
appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente
Amsterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Bij besluit van 17 februari 2000 heeft gedaagde aan appellant met ingang
van 1 november 1999 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars (Wik) toegekend naar de norm voor een gezin. In dat besluit
is verder - onder meer - bepaald dat de uitkering voorlopig de vorm van
een renteloze lening heeft en dat, indien het nettogezinsinkomen van
appellant (inclusief de Wik-uitkering) in het betreffende kalenderjaar
gemiddeld per maand hoger is dan f 2.661,46, het meerdere van de
uiteindelijke uitkering zal worden afgetrokken.
Nadat appellant aan gedaagde zijn inkomensgegevens en die van zijn
partner over 1999 had overgelegd, heeft gedaagde bij besluit van 7
december 2000 de definitieve Wik-uitkering over 1999 vastgesteld op een
bedrag van f 2.495,63. Dat bedrag is daarbij omgezet in een uitkering om
niet. Gedaagde heeft verder bepaald dat hetgeen boven dat bedrag is
uitgekeerd - een bedrag van f 868,45 - als lening wordt gehandhaafd en
dat appellant dit bedrag dient terug te betalen.
Het tegen het besluit van 7 december 2000 gemaakte bezwaar is bij
besluit van gedaagde van 30 oktober 2001 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant
tegen het besluit van 30 oktober 2001 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Voor de vaststelling van de definitieve Wik-uitkering is van belang
hetgeen is bepaald in de artikelen 9, tweede lid, en 10, tweede lid, van
de Wik. In artikel 9, tweede lid, van de Wik is geregeld op welke bedrag
aan uitkering per kalendermaand een kunstenaar recht heeft indien hij
voldoet aan de voorwaarden voor uitkering. Ingevolge artikel 10, tweede
lid, van de Wik wordt bij de definitieve vaststelling van de hoogte van
de uitkering op het bedrag, genoemd in het tweede lid van artikel 9, het
inkomen van de kunstenaar en zijn gezin over het kalenderjaar waarin
uitkering is verleend in mindering gebracht, voorzover de som van dat
bedrag en het naar een gemiddeld maandbedrag omgerekende inkomen meer
bedraagt dan - ten tijde hier van belang - f 2.661,45 voor gehuwden.
De Raad volgt niet het standpunt van appellant dat, door het gebruik van
de woorden “de som van dat bedrag” in artikel 10, tweede lid, van de
Wik deze bepaling zo moet worden gelezen dat wordt gedoeld op het totaal
van de in een kalenderjaar verstrekte voorlopige Wik-uitkering en het
gezinsinkomen in dat jaar, welk totaal vervolgens moet worden omgerekend
naar een gemiddeld maandbedrag. Daartoe overweegt de Raad dat artikel
10, tweede lid, van de Wik verwijst naar het tweede lid van artikel 9
van die wet, waar is geregeld welk normbedrag per kalendermaand voor de
betrokken kunstenaar geldt. De woorden “dat bedrag” in artikel 10,
tweede lid, van de Wik zien derhalve op die maandnorm. Vervolgens dient
- deze bepaling kan niet anders worden gelezen - bij het bedrag van die
maandnorm te worden opgeteld het naar een gemiddeld maandbedrag
omgerekende jaarinkomen van de kunstenaar.
In de wetstekst ziet de Raad voorts geen ruimte voor het oordeel dat
deze wijze van vaststelling niet dient te worden toegepast in een geval
als het onderhavige, waarin sprake is van het ontvangen van een Wik-uitkering
gedurende slechts een deel van een kalenderjaar. In dit verband wijst de
Raad nog op de geschiedenis van de totstandkoming van de per 1 januari
1999 geldende tekst van artikel 10 van de Wik, in welk kader deze wijze
van vaststelling is aangegeven en aan de hand van rekenvoorbeelden
toegelicht.
Evenals de rechtbank stelt de Raad vast dat gedaagde de definitieve Wik-uitkering
van appellant over 1999 overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van de Wik
heeft berekend en vastgesteld.
Appellant heeft verder aangevoerd dat de definitieve vaststelling van
zijn Wik-uitkering in strijd komt met de tekst van het
toekenningsbesluit van 17 februari 2000. Naar het oordeel van de Raad
dwingt dat besluit op dit punt echter niet tot de conclusie dat de
uitkering definitief zou worden vastgesteld op de wijze zoals appellant
dat thans wenst. Reeds op grond hiervan heeft de rechtbank terecht
geoordeeld dat van een uitdrukkelijke en ondubbelzinnige toezegging,
waaraan appellant gerechtvaardigde verwachtingen kon ontlenen, niet kan
worden gesproken.
De stelling van appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen
dat een bedrag van f 868,45 als lening is gehandhaafd, aangezien
gedaagde dit bedrag onmiddellijk van hem heeft opgeëist, treft evenmin
doel. De rechtbank heeft op dit onderdeel slechts het besluit van
gedaagde van 7 december 2000 aangehaald. Dat besluit is op dit punt
overigens in overeenstemming met artikel 10, eerste en derde lid, van de
Wik. Ingevolge deze bepalingen wordt, indien (zoals in het onderhavige
geval) het bedrag van de verleende uitkering hoger is dan de definitief
vastgestelde uitkering, de in de vorm van een renteloze lening
verstrekte uitkering omgezet in een bedrag om niet tot een bedrag gelijk
aan de definitief vastgestelde hoogte van de uitkering. Dat brengt mee
dat het resterende bedrag - in dit geval f 868,45 - het karakter van
lening behoudt.
Op grond van het voorgaande slaagt het hoger beroep van appellant niet.
In hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond
om tot een ander oordeel te komen. De aangevallen uitspraak dient dan
ook te worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. J.M.A.
van der Kolk-Severijns en mr. C. van Viegen als leden, in
tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 19 oktober 2004.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) L. Jörg.
|
|