|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/4957 WIK
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
gedaagde.
I. ONSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. J.A. van den Berg, advocaat te Amsterdam,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
21 augustus 2003, reg.nr. 02/5381 WIK.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 21 december 2004, waar appellant
is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Berg, en waar gedaagde zich
heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.L. Mulder, werkzaam bij de
gemeente Amsterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Bij besluit van 5 augustus 2002 heeft gedaagde onder meer bepaald dat de
aan appellant verstrekte renteloze geldlening ingevolge de Wet
inkomensvoorziening kunstenaars (Wik) over de periode van 1 januari 2000
tot en met 31 december 2000 ten bedrage van € 9.397,44 van hem wordt
teruggevorderd.
Bij besluit van 29 oktober 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 5 augustus 2002 niet-ontvankelijk verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 29 oktober 2002 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De rechtbank heeft het besluit van 29 oktober 2002 waarbij het door
appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 5 augustus 2002 niet-ontvankelijk is verklaard in stand gelaten. Daarbij
heeft de rechtbank vastgesteld dat de bekendmaking van het besluit van 5
augustus 2002 op diezelfde dag door toezending heeft plaatsgevonden,
zodat de bezwaartermijn is aangevangen op 6 augustus 2002 en is geëindigd
op 16 september 2002. Voorts heeft de rechtbank gesteld dat het
bezwaarschrift eerst op 18 september 2002 is overhandigd aan een
medewerker van de gemeente Amsterdam, zodat het bezwaarschrift niet
tijdig is ingediend. De rechtbank heeft ten slotte geen aanleiding
gezien de overschrijding van de bezwaartermijn met toepassing van
artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verschoonbaar te
achten.
In hoger beroep is het oordeel van de rechtbank bestreden, waarbij
appellant zich beperkt heeft tot het oordeel dat er geen redenen zijn op
grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in
verzuim is geweest. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat de te late
indiening van het bezwaarschrift is veroorzaakt door een fout van zijn
adviseur die destijds als rechtshulpverlener optrad. Hoewel appellant
zijn adviseur per e-mail van 15 augustus 2002 op de hoogte had gebracht
van het besluit van 5 augustus 2002, heeft deze tot na zijn vakantie die
liep van 31 augustus 2002 tot en met 16 september 2002 gewacht, voor het bespreken van het besluit met
appellant op 16 september 2002. Volgens appellant heeft zijn adviseur om
onverklaarbare redenen het bezwaarschrift pas twee dagen nadien bij
gedaagde afgegeven. Gezien de aard van de functie van rechtshulpverlener
en het grote belang dat voor appellant in geding is, is het naar de
mening van appellant in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag
tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
(EVRM) om de gevolgen van die fout geheel op hem af te wentelen. Daarbij
heeft appellant zich beroepen op de arresten van het Europees Hof voor
de Rechten van de Mens (EHRM) en met name de arresten Czekalla vs
Portugal van 10 oktober 2002 (EHRC 2002,99), Platakou vs Griekenland van 11 januari
2001, nr. 38460/97 en Bulena vs. Tsjechië van 20 april 2004 (EHRC 2004,53).
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet is gebleken van feiten
of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden
geoordeeld dat appellant in verzuim is en dientengevolge
niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar met toepassing van artikel
6:11 van de Awb achterwege zou dienen te blijven. De Raad ziet in de
door appellant aangevoerde omstandigheden geen aanleiding in dit geval
af te wijken van de hoofdregel dat fouten van door een indiener van een
bezwaar- of beroepschrift ingeschakelde (rechts)hulppersoon in beginsel
voor rekening komen van die indiener. Zo nodig had appellant na
inzending van een voorlopig bezwaarschrift binnen de bezwaartermijn, de
gronden op een later tijdstip in een aanvullend bezwaarschrift aan
gedaagde kunnen doen toekomen.
Evenmin brengen de door appellant genoemde arresten de Raad tot een
ander oordeel. Naar het oordeel van de Raad wordt de toegang tot de
rechter in algemene zin niet in ontoelaatbare mate belemmerd door de
hantering van een fatale bezwaartermijn, nu het hanteren van een
dergelijke termijn vanuit een oogpunt van rechtszekerheid en
doelmatigheid noodzakelijk is en de termijn op zeer eenvoudige wijze kan
worden gestuit zonder dat de tussenkomst van een professionele
rechtshulpverlener hiertoe is vereist. Voorts is in dit verband van
belang dat een overschrijding van de fatale bezwaartermijn reeds op
grond van de nationale regelgeving verschoonbaar wordt geacht als de
belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden geacht in verzuim te zijn
geweest.
In de concrete omstandigheden van het onderhavige geval ziet de Raad
geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Dat appellant,
hoewel hij (zonder dat is gebleken van plotseling opgekomen,
onvoorzienbare omstandigheden) pas op de avond van de laatste dag van de
bezwaartermijn voor het eerst met zijn adviseur kon overleggen, niet
eerder bezwaar heeft ingediend op nader aan te voeren gronden, dient hem
te worden aangerekend.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr.
P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 februari
2005.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) P.C. de Wit.
|
|