|
Uitspraak
03/870 WIK en 03/899 WIK
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Maastricht van 16 januari 2003, reg.nrs. 02/639 NABW Z en
02/640 NABW Z.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingezonden.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van 1 februari 2005, waar
appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich met
voorafgaand schriftelijk bericht niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant ontvangt sinds 1 augustus 1986 een bijstandsuitkering, vanaf 1
augustus 1996 op grond van de Algemene bijstandwet (Abw) naar de norm
voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een heronderzoek heeft
gedaagde bij besluit van 4 juli 2001 aan appellant meegedeeld dat zijn
bijstandsuitkering ongewijzigd wordt voortgezet. Tevens is hem daarbij
onder meer het volgende medegedeeld:
"De Gemeente Maastricht, Dienst Sociale en Economische Zaken, is
een samenwerkingsverband aangegaan met Stichting Traject “Ik doe
mee”. Naar aanleiding van uw bezwaarschrift is vastgesteld dat u in
aanmerking komt voor dergelijke begeleiding.
In het mondeling onderhoud met een van mijn medewerkers van afdeling
Bezwaar en Beroep, bent u hierover mogelijk al geďnformeerd. Van
Stichting Traject zult u te zijner tijd een oproep voor deelname
ontvangen.
Voor de volledigheid wordt u erop gewezen dat bij het geen gehoor geven
aan de oproep dan wel geen of onvoldoende medewerking verlenen aan dit
project, dit kan leiden tot een tijdelijke verlaging dan wel tijdelijke
uitsluiting van de verlening van uitkering."
Daartegen heeft appellant bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van
20 maart 2002, voorzover van belang, niet-ontvankelijk is verklaard op
de grond dat de verplichting met betrekking tot het project “Ik doe
mee” is komen te vervallen, waardoor er voor appellant geen
procesbelang meer is.
Naar aanleiding van de melding van de Stichting Traject dat appellant
niet deelneemt aan het project Sociale Activering “Ik doe mee” heeft
gedaagde een onderzoek opgestart. Naar aanleiding daarvan heeft gedaagde
bij brief van 1 november 2001 aan appellant meegedeeld dat zijn
bijstandsuitkering ongewijzigd wordt voortgezet. Tevens is hem daarbij
onder meer het volgende medegedeeld:
"De Gemeente Maastricht, Dienst Sociale en Economische Zaken heeft
een samenwerkingsproject tussen de Unit Fase 4 en Stichting Trajekt (een
welzijnsinstelling) ingekocht. Doelstelling is het laten uitstromen van
werklozen uit de uitkering. Door de Dienst Sociale en Economische Zaken
is vastgesteld dat u in aanmerking komt voor dergelijke begeleiding.
In het mondeling onderhoud met een van mijn medewerkers bent u hierover
mogelijk al geďnformeerd. Van Unit Fase 4 zult u te zijner tijd een
oproep voor deelname ontvangen.
Voor de volledigheid wordt u erop gewezen dat bij het geen gehoor geven
aan de oproep dan wel geen of onvoldoende medewerking verlenen aan dit
project, dit kan leiden tot een tijdelijke verlaging dan wel tijdelijke
uitsluiting van de verlening van de uitkering."
Ook daartegen heeft appellant bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit
van 27 maart 2002, voorzover van belang, ongegrond is verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling
omtrent griffierecht - de tegen de besluiten van 20 maart 2002 en 27
maart 2002 ingestelde beroepen gegrond verklaard, en de bezwaren tegen
de besluiten van 4 juli 2001 en 1 november 2001 niet-ontvankelijk
verklaard, op de grond dat in beide gevallen geen sprake is van een
besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb).
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd. Daarbij is betoogd dat er in beide gevallen wel sprake is van
een besluit met een daaraan verbonden rechtsgevolg. Tevens heeft
appellant - kort samengevat - aangevoerd dat hij niet begeleid wenst te
worden omdat hij zelf in staat is zich te oriënteren op de arbeidsmarkt
van kunstberoepen, alsmede omdat begeleiding een negatief beeld van hem
zou kunnen oproepen bij derden.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 106 van de Abw is, voorzover hier van belang, bepaald dat
burgemeester en wethouders aan de bijstand verplichtingen kunnen
verbinden die strekken tot inschakeling in de arbeid dan wel tot
vermindering of beëindiging van de bijstand.
De Raad kan uit de gedingstukken niet anders afleiden dan dat gedaagde
met de mededeling dat appellant in aanmerking komt voor begeleiding door
de Stichting Traject voor het project “Ik doe mee”, alsmede voor
begeleiding in het kader van het samenwerkingsproject, het opleggen van
een verplichting heeft beoogd om daarmee te bevorderen dat de kansen van
appellant op de arbeidsmarkt toenemen zodat appellant uiteindelijk
(weer) in de arbeid kan worden ingeschakeld en zijn bijstandsuitkering
kan worden verminderd of beëindigd. Het opleggen van deze verplichting
berust op artikel 106 van de Abw en strekt ertoe dat op de betrokkene de
rechtsplicht komt te rusten die verplichting na te leven. Het
vorenstaande leidt tot de conclusie dat in beide gevallen sprake is van
een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
De rechtbank heeft dit miskend zodat de aangevallen uitspraak moet
worden vernietigd. De Raad zal vervolgens, doende wat de rechtbank had
behoren te doen, de besluiten van 20 maart 2002 en 27 maart 2002
beoordelen.
Besluit van 20 maart 2002
Met het laten vervallen van de verplichting om deel te nemen aan het
project “Ik doe mee” is volledig aan de bezwaren van appellant
tegemoet gekomen, zodat appellant geen procesbelang meer had bij zijn
bezwaar tegen het besluit van 4 juli 2001. Het bezwaar is derhalve door
gedaagde in zoverre terecht niet-ontvankelijk verklaard zodat het beroep
tegen het besluit van 20 maart 2002 ongegrond moet worden verklaard.
Besluit van 27 maart 2002
In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunt
gevonden voor het oordeel dat gedaagde niet in redelijkheid heeft kunnen
besluiten appellant te verplichten deel te nemen aan een
begeleidingstraject, zulks ter concretisering van de algemene - in
artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw opgenomen -
verplichting om naar vermogen te trachten arbeid in dienstbetrekking te
verkrijgen. De Raad is van oordeel dat enig zwaarwegend beletsel om aan
deze verplichting te voldoen door appellant niet is opgeworpen. Het
beroep tegen het besluit van 27 maart 2002 dient dan ook ongegrond te
worden verklaard.
Uit het voorgaande vloeit voort dat moet worden beslist zoals hieronder
is aangegeven.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten, nu niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking
komende kosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de beroepen tegen de besluiten van 20 maart 2002 en 27 maart
2002 ongegrond;
Bepaalt dat de gemeente Maastricht aan appellant het in hoger beroep
betaalde griffierecht van € 82,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. R.M. van Male als voorzitter, en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr. R.
van den Munckhof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15
maart 2005.
(get.) R.M. van Male.
(get.) R. van den Munckhof.
|
|