|
Uitspraak
voorzieningenrechter 05/2127 WIK-VV
U I T S P R A A K
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het
geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht,
verzoeker,
en
[verzoeker], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. INLEIDING
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank
Maastricht op 16 maart 2005 tussen partijen gewezen uitspraak met
registratienummer 04/1335 WIK. Dit hoger beroep is bij de Raad
geregistreerd onder nummer 05/1998 WIK.
Verzoeker heeft tevens verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb).
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen
uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Bij besluit van 17 mei 2004 heeft verzoeker de uitkering in de vorm van
een geldlening op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik)
van gedaagde over de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december
2002 ingetrokken en de verleende uitkering tot een bedrag van €
6.481,92 van gedaagde teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd
dat gedaagde, ondanks een gegeven hersteltermijn, niet de benodigde
gegevens heeft verstrekt om (definitief) het recht op een Wik-uitkering
over 2002 te kunnen vaststellen.
Bij besluit van 26 juli 2004 heeft verzoeker het bezwaar van gedaagde
tegen het besluit van 17 mei 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten - het tegen het besluit van 26 juli 2004
ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en verzoeker
opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze
uitspraak. De rechtbank heeft hierbij onder meer overwogen dat verzoeker
zijn besluit ten onrechte op vervallen bepalingen van de Wik heeft
gebaseerd.
Verzoeker is van mening dat het besluit van 26 juli 2004 op een juiste
wettelijke grondslag berust. Verzoeker heeft de bepalingen van de Wik
gehanteerd zoals deze gedurende het tijdvak in geding luidden. Dit is
volgens verzoeker overeenkomstig de jurisprudentie van de Raad.
Verzoeker verzoekt om schorsing van de aangevallen uitspraak omdat het
volgen van het standpunt van de rechtbank zou betekenen dat in situaties
als de onderhavige, verzoeker steeds een besluit moet nemen dat indruist
tegen de heersende jurisprudentie van de Raad.
Naar aanleiding van dit verzoek overweegt de voorzieningenrechter het
volgende.
Ingevolge artikel 8:81 van de Awb in samenhang met artikel 21 van de
Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de
voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet
hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op
verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed,
gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Hetgeen door verzoeker is aangevoerd levert geen grond op om te oordelen
dat er van de zijde van verzoeker sprake is van een spoedeisend belang
bij het treffen van de gevraagde voorziening. Niet is gebleken dat of
waarom verzoeker desgewenst geen uitvoering zou kunnen geven aan het
besluit van 17 mei 2004. Ook anderszins vormen de door verzoeker
aangevoerde omstandigheden geen zodanig zwaarwegend belang dat
behandeling van het hoger beroep in de bodemprocedure niet zou kunnen
worden afgewacht.
Gelet op het voorgaande is het verzoek om een voorlopige voorziening
kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel
8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting.
Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van T.A.
Willems-Dijkstra als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 mei
2005.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) T.A. Willems-Dijkstra.
|
|