|
Uitspraak
05/213 WIK
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. P.F.A.B. Vos, advocaat te Amsterdam, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14
december 2004, reg.nr. 03/1087 WIK.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 14 februari 2006, waar appellant
niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen
door mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
Bij (nader) besluit op bezwaar van 16 december 2003 heeft gedaagde onder
meer het recht van appellant op uitkering ingevolge de Wet
inkomensvoorziening kunstenaars (WIK) over de periode van 5 juli 2000
tot en met 10 oktober 2000 ingetrokken op de grond dat appellant
gedurende die periode beschikte over vermogen boven de voor hem
toepasselijke vermogensgrens.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder meer het tegen het
besluit van 16 december 3003 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen dit onderdeel van
deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In hoger beroep is uitsluitend nog aan de orde de vraag of bij de
vaststelling van het vermogen van appellant over de periode van 5 juli
2000 tot en met 10 oktober 2000 de schuld van appellant aan Securitas
Limited ten bedrage van f 20.000,-- terecht buiten beschouwing is
gebleven.
Vaststaat dat, indien deze schuld buiten beschouwing blijft, ten tijde
hier van belang sprake is van overschrijding van de voor appellant
geldende vermogensgrens, als bedoeld in artikel 54 van de Algemene
bijstandswet (Abw).
Uit de door appellant overgelegde, in de Engelse taal gestelde,
leenovereenkomst blijkt dat de verplichting tot terugbetaling van het
van Securitas Limited geleende bedrag van f 20.000,-- eerst ingaat in de
eerstvolgende maand na de maand waarin appellant van de “Dutch
Foundation for Art, Design and Architecture of Amsterdam” een
stipendium heeft ontvangen.
Appellant had ten tijde hier van belang nog geen stipendium ontvangen.
Derhalve is de verplichting van appellant tot aflossing van deze schuld
geheel afhankelijk gesteld van een in de toekomst gelegen, onzekere
gebeurtenis. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is dan geen sprake
van een schuld die voor de toepassing van de WIK, in samenhang met de
Abw relevant is.
Bij de vaststelling van het vermogen van appellant over de periode van 5
juli 2000 tot 11 oktober 2000 is de schuld van f 20.000,-- dan ook
terecht buiten beschouwing gebleven. Hieruit volgt dat het vermogen van
appellant, gelet op artikel 54, aanhef en onder a, van de Abw, in
verbinding met artikel 2, aanhef en onder a (oud), van de WIK in de weg
stond aan het verlenen van een uitkering ingevolge de WIK over die
periode.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de
aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten moet worden bevestigd. Dat
betekent dat er geen grond is voor de door appellant verzochte
veroordeling van gedaagde tot schadevergoeding, zodat dit verzoek moet
worden afgewezen.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.M. van
Male en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) M. Pijper.
|
|