|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/958 WIK
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 januari 2005,
04/819 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht
(hierna: College).
Datum uitspraak: 20 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft drs. A. Wolfs, accountant te Gulpen, hoger beroep
ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2006.
Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten
vertegenwoordigen door mr. M.H.E. Overhof, werkzaam bij de gemeente
Maastricht.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Bij besluit van 14 juni 2002 is aan appellant met ingang van 13 maart
2002 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik)
toegekend naar de norm voor een alleenstaande.
Bij besluit van 10 februari 2004 heeft het College het recht op
uitkering van appellant met ingang van 13 maart 2002 ingetrokken op de
grond dat uit de door appellant overgelegde overzichten van de
bankrekening met nummer 86.69.62.778 is gebleken dat appellant per deze
datum over voldoende middelen beschikt. Tevens is daarbij de over de
periode van 13 maart 2002 tot en met 31 december 2003 aan appellant
betaalde uitkering tot een bedrag van € 11.730,34 van hem
teruggevorderd.
Bij besluit van 22 april 2004 heeft het College het bezwaar tegen het
besluit van 10 februari 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant
tegen het besluit van 22 april 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De - per 1 januari 2005 vervallen - Wik is met ingang van 1 januari 2004
gewijzigd in verband met de intrekking van de Algemene bijstandswet (Abw)
per die datum. Die wijziging was noodzakelijk, aangezien de Wik
verschillende verwijzingen naar de Abw bevatte.
Ingevolge artikel 2 van de Wik, voorzover hier van belang, wordt
verstaan onder inkomen: de in aanmerking te nemen middelen, bedoeld in
Hoofdstuk IV, afdeling 3, paragraaf 1 en 2 van de Abw.
Ingevolge artikel 42 van de Abw worden tot de middelen alle vermogens-
en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin
beschikte of redelijkerwijs kon beschikken.
In artikel 47, eerste lid, van de Abw is onder meer bepaald dat onder
inkomen wordt verstaan de op grond van paragraaf 1 in aanmerking genomen
middelen voorzover deze:
a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit
vermogen, een premie voor het voltooien van een scholing of opleiding of
voor het aanvaarden of behouden van betaalde arbeid of een subsidie voor
het onverplicht, in georganiseerd verband, verrichten van onbetaalde
maatschappelijk nuttige activiteiten, inkomsten uit verhuur,
onderverhuur of uit het hebben van een of meer kostgangers,
sociale-zekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond
van Boek I van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave
van inkomstenbelasting, loonbelasting en premies volksverzekeringen, dan
wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en
b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt
gedaan.
Op grond van artikel 4, aanhef en onder a, van de Wik heeft de
kunstenaar recht op uitkering, voorzover hier van belang, indien het
inkomen lager is dan de voor hem geldende norm.
Ingevolge artikel 20, eerste lid (tot 1 januari 2004: derde lid), van de
Wik, voorzover in dit geding van belang, herzien burgemeester en
wethouders een besluit tot toekenning van uitkering of trekken zij dat
in indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag
is verleend.
Ingevolge het tot 1 januari 2004 geldende artikel 23, eerste lid, van de
Wik is het College verplicht tot terugvordering van uitkering die
onverschuldigd is betaald. Het voor het jaar 2004 geldende artikel 23d,
tweede lid, van de Wik verplicht het College, behoudens in het geval
sprake is van terugvordering uit hoofde van een maatregel, slechts tot
terugvordering van hetgeen onverschuldigd is betaald voorzover de
kunstenaar redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat onverschuldigd werd
betaald.
Vaststaat dat appellant gedurende de periode in geding maandelijks geld
van zijn vader heeft ontvangen. De Raad stelt vast dat sprake is van
inkomsten die naar hun aard overeenkomen met de in artikel 47, eerste
lid, van de Abw bedoelde inkomsten en uitkeringen, mede in aanmerking
genomen de periodiciteit van de betaling ervan, en betrekking hebben op
een periode waarover beroep op uitkering is gedaan. Aangezien appellant
de gelden op zijn bankrekening heeft ontvangen, moeten deze inkomsten
ingevolge artikel 42 van de Abw gerekend worden tot de middelen waarover
appellant beschikte. Op grond van artikel 2 van de Wik heeft het College
derhalve terecht deze middelen bij de vaststelling van het recht op
uitkering in aanmerking genomen. Niet in geschil is dat de overgemaakte
bedragen telkens hoger zijn geweest dan de voor appellant toepasselijke
norm als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder a, van de Wik. Dat
betekent dat appellant over de gehele in geding zijnde periode geen
recht had op uitkering.
Appellant betwist niet, zo blijkt uit het hoger beroepschrift, het
oordeel van de rechtbank dat het hiervoor vastgestelde inkomen niet kan
worden aangemerkt als zakelijk inkomen van appellant als kunstenaar,
maar heeft aangevoerd dat, daarvan uitgaande, hij dan een hoger verlies
lijdt uit hoofde van zijn bedrijfsmatige activiteiten waardoor zijn
totale inkomen ten tijde hier van belang beneden de norm uitkomt, zodat
hij wel recht op uitkering heeft.
Dienaangaande overweegt de Raad dat dit betoog van appellant ziet op
toepassing van de artikelen 9 en 10 van de Wik, waarin onder meer is
geregeld dat de hoogte van de uitkering definitief wordt vastgesteld met
in achtneming van het over het kalenderjaar waarin een uitkering is
verleend verworven inkomen. Nu appellant reeds op grond van toepassing
van artikel 4 van de Wik geen recht op een Wik-uitkering heeft, is
toepassing van de artikelen 9 en 10 van de Wik evenwel niet aan de orde.
Het College was gezien het voorgaande ingevolge artikel 20, eerste lid,
aanhef en onder b, van de Wik gehouden tot intrekking van het
toekenningsbesluit van 14 juni 2002 over te gaan. In hetgeen van de
zijde van appellant is aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen
als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wik om geheel of
gedeeltelijk van intrekking af te zien.
Met het voorgaande is tevens gegeven dat de uitkering over de periode
van 13 maart 2002 tot en met 31 december 2003 onverschuldigd is betaald,
zodat het College ingevolge artikel 23d, tweede lid, van de Wik gehouden
is hetgeen over die periode aan uitkering is betaald terug te vorderen
voorzover de kunstenaar dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen. Naar
het oordeel van de Raad zijn de inkomsten die appellant ten tijde van de
uitbetaling van zijn Wik-uitkering maandelijks van zijn vader op zijn
bankrekening heeft ontvangen dermate hoog, dat buiten twijfel is dat
appellant redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat het College aan hem
onverschuldigd uitkering betaalde.
Bij het voorgaande tekent de Raad het volgende aan. Uit het besluit van
22 april 2004 blijkt dat het College daarin uitdrukkelijk toepassing
heeft gegeven aan de tot 1 januari 2004 geldende Wik. De Raad acht dat
wat de intrekking en de terugvordering betreft onjuist. Uit het feit dat
specifieke bepalingen van overgangsrecht hieromtrent ontbreken leidt de
Raad af dat de wetgever uitdrukkelijk toepassing van de desbetreffende,
vanaf 1 januari 2004 geldende bepalingen van de Wik heeft beoogd. Wel
zou hantering van de desbetreffende bepalingen in strijd kunnen komen
met de rechtszekerheid, indien dit, in aanmerking genomen dat de
onderhavige Wik-uitkering geheel is verleend in de periode voorafgaand
aan 1 januari 2004, tot een voor de belanghebbende ongunstiger resultaat
zou leiden dan onder het oude recht mogelijk was. Daarvan is echter geen
sprake. Daarbij is met name van belang dat, anders dan voorheen,
ingevolge de vanaf 1 januari 2004 geldende wettelijke regeling wordt
teruggevorderd voorzover de kunstenaar redelijkerwijs had kunnen
begrijpen dat hem onverschuldigd uitkering werd betaald.
Het voorgaande betekent dat het besluit van 22 april 2004 niet op een
juiste wettelijke grondslag berust. Nu de rechtbank dit niet heeft
onderkend, kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. Doende
hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond
verklaren en het besluit van 22 april 2004 wegens strijd met de wet
vernietigen. De Raad ziet evenwel aanleiding om, met toepassing van
artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de
rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de
proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in
beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 22 april 2004;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 966,--, te betalen door de gemeente Maastricht;
Bepaalt dat de gemeente Maastricht aan appellant het in beroep en in
hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 139,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van
der Ham en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.
Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2006.
(get.) C. van Viegen.
(get.) M. Pijper.
|
|