|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/1998 WIK
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 maart 2005,
04/1335 WIK (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),
en
appellant.
Datum uitspraak: 23 mei 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. M.Ph.M. Hogervorst, advocaat te Maastricht,
een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2006.
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.E. Overhof,
werkzaam bij de gemeente Maastricht. Betrokkene is verschenen,
bijgestaan door mr. Hogervorst.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Betrokkene ontving tot en met 10 maart 2003 een uitkering ingevolge de
Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik) in de vorm van een lening,
naar de norm voor een alleenstaande.
Bij besluit van 17 mei 2004 heeft appellant het recht op uitkering van
betrokkene over de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december
2002 ingetrokken op de grond dat door het ontbreken van de gevraagde en
in het kader van de vaststelling van de definitieve uitkering benodigde
gegevens het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Tevens is
daarbij de over voornoemde periode aan betrokkene betaalde uitkering tot
een bedrag van 6.481,92 van hem teruggevorderd.
Bij besluit van 26 juli 2004 heeft appellant het bezwaar van betrokkene
tegen het besluit van 17 mei 2004 ongegrond verklaard. Daarbij heeft
appellant zich uitdrukkelijk gebaseerd op de tot 1 januari 2004 van
toepassing zijnde bepalingen van de Wik.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen
omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit
van 26 juli 2004 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant
opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van
die uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het besluit op
een onjuiste wettelijke grondslag berust. Voorts heeft de rechtbank
overwogen dat appellant voorafgaand aan de intrekking, het recht op
uitkering van betrokkene had moeten opschorten en dat hem een
hersteltermijn had moeten worden geboden.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt voorop dat de Wik, vervallen per 1 januari 2005, met
ingang van 1 januari 2004 is gewijzigd in verband met de intrekking van
de Algemene bijstandswet (Abw) per die datum. Die wijziging was
noodzakelijk aangezien de Wik verschillende verwijzingen naar de Abw
bevatte.
Uit het besluit op bezwaar van 26 juli 2004 blijkt dat appellant ten
aanzien van de in geding zijnde intrekking en terugvordering
uitdrukkelijk het tot 1 januari 2004 geldende recht heeft toegepast.
Met de rechtbank acht de Raad de grondslag van het bestreden besluit
onjuist. Uit het feit dat specifieke bepalingen van overgangsrecht met
betrekking tot de intrekking en de terugvordering ontbreken leidt de
Raad af dat de wetgever uitdrukkelijk toepassing van die bepalingen van
de Wik, zoals deze vanaf 1 januari 2004 luidt, heeft beoogd. Wel zou
hantering van deze bepalingen in strijd kunnen komen met de
rechtszekerheid, indien dit, nu de verleende Wik betrekking heeft op de
periode voorafgaand aan 1 januari 2004, tot een voor belanghebbende
ongunstiger resultaat zou leiden dan onder het oude recht mogelijk was.
Daarvan is, zo blijkt uit het hierna volgende, in dit geval echter geen
sprake.
Naar het oordeel van de Raad heeft appellant wel terecht de hier van
belang zijnde en tot 1 januari 2004 geldende materiλle bepalingen van
de Wik van toepassing geacht. Dit is in overeenstemming met de vaste
jurisprudentie van de Raad omtrent de zogenoemde temporele werking van
wetgeving, inhoudende dat de rechten en verplichtingen van een
belanghebbende in beginsel dienen te worden beoordeeld naar de wetgeving
zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop die
rechten en plichten betrekking hebben.
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het
besluit van 26 juli 2004 in stand te laten, omdat dit besluit volgens de rechtbank
mede voor vernietiging in aanmerking komt op de grond dat voorafgaand
aan de intrekking, het recht op uitkering van betrokkene had moeten
worden opgeschort en betrokkene een hersteltermijn had moeten worden
geboden
Met appellant is de Raad echter van oordeel dat in verband met de in dit
geding aan de orde zijnde intrekking over een periode waarover de Wik-uitkering
reeds was uitbetaald, opschorting van het recht op uitkering niet meer
aan de orde kan zijn. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de
aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat
de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad bezien of er aanleiding is
de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 26 juli 2004 in stand
te laten.
Intrekking
Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wik, zoals
deze bepaling met ingang van 1 januari 2004 luidt, in samenhang bezien
met artikel 16, eerste lid (oud), van de Wik en artikel 15, tweede lid,
onder c (oud), van de Wik wordt een besluit tot toekenning van uitkering
ingetrokken indien schending van de inlichtingenverplichting heeft
geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
uitkering.
Vaststaat dat in het kader van de, ingevolge artikelen 9 en 10 (oud) van
de Wik, vaststelling van de (hoogte van de) definitieve Wik-uitkering
betrokkene door appellant verschillende keren is gevraagd de daarvoor
benodigde gegevens te verstrekken. Betrokkene heeft die gegevens niet
binnen de daarvoor gestelde termijn aan appellant verstrekt. Met
appellant is de Raad van oordeel dat appellant daardoor niet in staat
was het definitieve recht op Wik-uitkering vast te stellen.
Appellant was derhalve gehouden tot intrekking van het recht op
uitkering over de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002
over te gaan. In hetgeen van de zijde van betrokkene is aangevoerd ziet
de Raad geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van intrekking
af te zien.
Terugvordering
Het in de onderhavige zaak van toepassing zijnde, sedert 1 januari 2004
geldende, artikel 23d, tweede lid, van de Wik verplicht appellant,
anders dan de voorheen geldende terugvorderingbepaling van artikel 23,
eerste lid, van de Wik, alleen tot terugvordering van hetgeen
onverschuldigd is betaald voorzover de kunstenaar dit redelijkerwijs
heeft kunnen begrijpen. De Raad is van oordeel dat artikel 23d, tweede
lid, van de Wik een wettelijke grondslag biedt voor terugvordering van
bijstand in gevallen als het onderhavige, waarin een uitkering in de
vorm van een lening wordt verstrekt in afwachting van de vaststelling
van de definitieve Wik-uitkering, en deze uitkering, als gevolg van
schending van de inlichtingenverplichting waardoor deze vaststelling
niet kan plaatsvinden, onverschuldigd blijkt te zijn betaald.
Nu de betrokkene de uitkering (vooralsnog) ontving in de vorm van een
lening, moest hij er naar het oordeel van de Raad rekening mee houden
dat indien hij appellant in strijd met de op hem rustende wettelijke
verplichting niet de nodige informatie zou verschaffen om het recht op
uitkering definitief te kunnen vaststellen, die uitkering hem ten
onrechte was verleend. Dat brengt met zich dat met betrekking tot de
periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002 is voldaan aan de
voorwaarden voor toepassing van artikel 23d, tweede lid, van de Wik. Dit
betekent dat appellant gehouden was de aan betrokkene verleende Wik-uitkering
van hem terug te vorderen.
Niettemin kunnen de rechtsgevolgen van het besluit van 26 juli 2004
voorzover betrekking hebbend op de terugvordering niet in stand blijven.
Ingevolge het derde lid van artikel 23d, van de Wik vindt terugvordering
als bedoeld in het tweede lid niet plaats, indien de betreffende kosten
zijn gemaakt meer dan twee jaar voor de datum van verzending van het
besluit van terugvordering. Dit betekent dat, gelet op de omstandigheid
dat het besluit tot terugvordering is verzonden op 19 mei 2004,
terugvordering in de periode van 1 januari 2002 tot 18 mei 2002 in
strijd is met artikel 23d, derde lid, van de Wik. Daaruit vloeit voort
dat de rechtsgevolgen van het besluit van 26 juli 2004 voorzover dat
betrekking heeft op de gehele terugvordering niet in stand kunnen
blijven. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat een
terugvorderingsbesluit naar vaste rechtspraak van de Raad als ιιn
geheel moet worden beschouwd, nu dit uitmondt in ιιn - daarin te
vermelden bedrag - aan teruggevorderde uitkering. Het voorgaande klemt
te meer, nu een terugvorderingsbesluit een executoriale titel oplevert.
Op grond van het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak
behoudens voorzover daarbij is beslist omtrent griffierecht en
proceskosten - voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank
zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het
besluit van 26 juli 2004 vernietigen en de rechtsgevolgen van het
vernietigde besluit voorzover dat betrekking heeft op de intrekking in
stand laten.
De Raad ziet ten slotte aanleiding appellant te veroordelen in de
proceskosten van betrokkene in hoger beroep, begroot op 644,-- voor
verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover daarbij is
beslist omtrent griffierecht en proceskosten;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 26 juli 2004;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voorzover dat
betrekking heeft op de intrekking in stand blijven;
Bepaalt dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep
tot een bedrag van 644,-- te betalen door de gemeente Maastricht aan
de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door Th. C. van Sloten als voorzitter en A.B.J.
van der Ham en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van P. Broekman als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 23 mei 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.E. Broekman.
|
|