|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/5137
WIK
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 7 juli 2005, 04/2193
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (hierna: Commissie).
Datum uitspraak: 5 september 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. drs. A.J. van der Knijff, advocaat te Breda,
hoger beroep ingesteld.
De Commissie heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2006.
Appellant is verschenen en bijgestaan door mr. M.J. Böhm-van Baalen, werkzaam op het kantoor van
mr. Van der Knijf.
De Commissie heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant is bij besluit van 2 oktober 2003 met ingang van 1 oktober
2003 uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik)
voor de kosten van levensonderhoud toegekend, in de vorm van een
renteloze lening. Appellant is hierbij tevens meegedeeld, voor zover
hier van belang, dat te zijner tijd in het kader van een heronderzoek
zal worden vastgesteld of hij nog als kunstenaar kan worden aangemerkt
en dat in dat verband onder meer van belang is dat hij in het voorgaande
kalenderjaar een bruto-omzet moet hebben weten te behalen van minimaal
€ 1.089,07.
Bij brief van 8 december 2003 is aan appellant een formulier gezonden
waarop hij is verzocht aan te geven hoeveel omzet hij in het
kalenderjaar 2003 heeft behaald. Nogmaals is vermeld dat de bruto-omzet
ten minste € 1.089,07 dient te bedragen. Appellant heeft dit formulier
medio december 2003 teruggezonden met de mededeling dat hij zich
bezighoudt met acquisitie van klanten en hen offertes aanbiedt om
opdrachten binnen te halen. Van enige omzet heeft appellant toen geen
mededeling gedaan.
Bij besluit van 3 mei 2004 heeft de Commissie de uitkering van appellant
ingaande 1 april 2004 beëindigd (lees: ingetrokken), die uitkering
vervolgens (ook) over de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 maart
2004 ingetrokken en de over die laatste periode verstrekte uitkering tot
een bedrag van € 2.741,01 van appellant teruggevorderd.
Bij besluit van 15 september 2004 heeft de Commissie de bezwaren tegen
het besluit van 3 mei 2004 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 15 september 2004
ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt vast dat van toepassing is de Wik
zoals deze in 2004 gold.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wik
in
verbinding met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wik
en
artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit Wik
is sprake van ten onrechte
verleende uitkering en wordt deze beëindigd en ingetrokken indien de
kunstenaar in het kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin de
uitkering wordt ontvangen niet ten minste een bruto-omzet heeft behaald
van € 1.089,--. Voor beantwoording van de vraag of appellant in 2004
terecht uitkering ingevolge de Wik ontving is, voor zover hier van
belang, derhalve vereist dat hij in 2003 een bruto-omzet van ten minste
het evengenoemde bedrag heeft behaald.
Voor de beantwoording van de vraag of in enig jaar omzet is behaald kan
worden uitgegaan van het zogeheten kasstelsel dan wel van het
factuurstelsel. In het eerste stelsel is sprake van omzet op het moment
dat het geld is ontvangen en in het tweede geval is er omzet zodra de
factuur is verzonden.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niet aan de
minimale omzeteis heeft voldaan. Appellant heeft het hem op 8 december
2003 toegezonden “formulier toetsing omzeteis” niet volledig
ingevuld teruggezonden. Hij heeft geen omzet vermeld en slechts
aangegeven - samengevat - dat hij zich bezig houdt met acquisitie.
Appellant heeft in 2003 geen gelden ontvangen en de door appellant
alsnog aan de Commissie gezonden facturen van 22 januari 2004 en 27
februari 2004, ten bedrage van in totaal € 3.254,66, heeft de
Commissie terecht niet aangemerkt als omzet over 2003. De Raad wijst
erop dat de offerte naar aanleiding waarvan de genoemde facturen zijn
uitgebracht eerst op 19 januari 2004 door de betreffende opdrachtgever
is ondertekend. Voorts, zo is ter zitting van de rechtbank nog
toegelicht, zijn de hieraan verbonden werkzaamheden voornamelijk in 2004
verricht. Dat appellant, zoals hij nog heeft aangevoerd, de facturen ook
al in het kalenderjaar 2003 had kunnen versturen doet hieraan niet af.
De Raad deelt niet de opvatting van appellant dat hij door de Commissie
ter zake van een en ander niet goed is voorgelicht. Bij de toekenning
van de uitkering is appellant uitdrukkelijk op het omzetvereiste
gewezen en ook bij de brief van 8 december 2003 is appellant deze
voorwaarde nogmaals in herinnering gebracht. De Raad kan appellant dan
ook niet volgen in zijn stelling dat de Commissie hem naar aanleiding
van het antwoord op de vraag naar zijn omzet in 2003 nogmaals en meer
toegespitst op de omzeteis had dienen te wijzen.
Gelet op het vorenstaande heeft de Commissie de aan appellant verleende
uitkering over de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 maart 2004 en
met ingang van 1 april 2004 terecht ingetrokken.
In hetgeen appellant nog heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende
redenen als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wik
zodat de
Commissie niet bevoegd was geheel of gedeeltelijk van intrekking af te
zien.
Met betrekking tot de terugvordering komt de Raad eveneens tot de
conclusie dat deze in rechte stand kan houden.
Ingevolge artikel 23d, tweede lid, van de Wik, zoals dat artikel vanaf 1
januari 2004 luidde, wordt teruggevorderd hetgeen onverschuldigd aan
uitkering is betaald voor zover de kunstenaar dit redelijkerwijs had
kunnen begrijpen. Gelet op het feit dat appellant bij de toekenning van
de uitkering uitdrukkelijk op de omzeteis is gewezen, had hij naar het
oordeel van de Raad er rekening mee moeten houden dat de over 2004
betaalde uitkering van hem zou worden teruggevorderd indien hij over het
hieraan voorafgaande kalenderjaar niet aan de omzeteis zou voldoen.
Dit brengt mee dat met betrekking tot de periode van 1 januari 2004 tot
en met 31 maart 2004 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van
artikel 23d, tweede lid, van de Wik. De Commissie was dan ook gehouden
de aan appellant over die periode verleende uitkering van hem terug te
vorderen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en
dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R.H.M.
Roelofs en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar
op 5 september 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) L. Jörg.
|
|