|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/3653
WIK
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 april 2005, 04/2724
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam
(hierna: College).
Datum uitspraak: 5 september 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2006.
Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen
door mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 22 oktober 2001 heeft het College de aan appellant
verleende uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars
over de periode van 19 oktober 1999 tot en met 27 december 2000
ingetrokken en heeft het College de over die periode verleende uitkering
van appellant teruggevorderd.
Bij besluit van 23 april 2002 heeft het College het bezwaar tegen het
besluit van 22 oktober 2001 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het
College ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft opgegeven dat hij
beschikte over een vermogen in de vorm van aandelen, met een waarde die
de destijds in aanmerking te nemen vermogensgrens ruimschoots
overschreed.
Het tegen het besluit van 23 april 2002 ingestelde beroep is door de
rechtbank Amsterdam bij uitspraak van 9 september 2002, 02/3248,
niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet verschoonbaar geachte
overschrijding van de beroepstermijn. Appellant heeft tegen die
uitspraak geen rechtsmiddel aangewend, zodat het besluit van 23 april
2002 in rechte onaantastbaar is geworden.
Bij brief van 8 juli 2002 heeft appellant het College verzocht om
heroverweging van het besluit van 23 april 2002.
Bij besluit van 27 augustus 2002 heeft het College dit verzoek
afgewezen.
Bij besluit van 18 mei 2004 heeft het College het bezwaar tegen het
besluit van 27 augustus 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 18 mei 2004 ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat
geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden
als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb).
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het thans aan de orde zijnde verzoek van appellant van 8 juli 2002
strekt ertoe dat het College van zijn eerdere besluit van 23 april 2002
terugkomt.
Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel
4:6 van de Awb, mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een
eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij
dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden
vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen
nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan
het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder
verwijzing naar zijn eerdere besluit.
Bij zijn onderhavige verzoek, zoals nader toegelicht ter zitting, heeft
appellant, onder verwijzing naar de bij dit verzoek overgelegde
verklaring van 28 juni 2002 van zijn vader aangevoerd dat de
desbetreffende aandelen op naam van appellant zijn gesteld onder de
voorwaarde dat zij niet vervreemd of beleend mogen worden en dat op
niet-nakoming van deze voorwaarde sancties zijn gesteld. Appellant heeft
niet aangegeven welke sancties hierbij zijn beoogd.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in het geval van appellant
geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in
vorenbedoelde zin, aangezien het bestaan van die voorwaarde in elk geval
reeds ten tijde van het besluit van 23 april 2002 bij appellant bekend
was. Dit blijkt niet alleen uit de verklaring van appellant van 27 mei
2002, maar met name ook uit het proces-verbaal van de zitting van de
rechtbank van 15 maart 2005, waaruit moet worden opgemaakt dat appellant
al vele jaren geleden van voormelde voorwaarde op de hoogte is gesteld,
maar dat hij dit in het kader van zijn eerdere aanvraag, welke
uiteindelijk heeft geleid tot het besluit van 23 april 2002, was
vergeten.
Gelet op het vorenstaande was het College bevoegd om met overeenkomstige
toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te
wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te
verwijzen naar het besluit van 23 april 2002. Naar het oordeel van de
Raad kan niet worden gezegd dat het College niet in redelijkheid van die
bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R.H.M.
Roelofs en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar
op 5 september 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) L. Jörg.
|
|