|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/6693
WIK
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 18 oktober 2005,
05/73 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Middelburg
(hierna: College).
Datum uitspraak: 17 oktober 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.C. van den Doel, advocaat te Zierikzee,
hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2006. Voor
appellant is verschenen mr. Van den Doel. Het College heeft zich laten
vertegenwoordigen door J.P.F. Stevense, werkzaam bij de
Intergemeentelijke Sociale Dienst Walcheren.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant ontving sedert 27 mei 1999 een uitkering ingevolge de Wet
inkomensvoorziening kunstenaars (Wik) van het college van burgemeester
en wethouders van de gemeente Amsterdam. Deze uitkering is beëindigd
per 1 december 2002. Bij besluit van 22 april 2003 heeft dit college het
recht op uitkering van appellant over de periode van 1 januari 2001 tot
en met 30 november 2002 ingetrokken op de grond dat appellant het
college niet heeft geďnformeerd over het feit dat hij niet langer in
Amsterdam woonachtig was. Daarbij is hetgeen over die periode is
uitgekeerd tot een bedrag € 13.502,89 van appellant teruggevorderd.
Dit besluit is - inmiddels - rechtens onaantastbaar.
Op 19 augustus 2003 heeft appellant bij het college van burgemeester en
wethouders van de gemeente Goes een aanvraag ingediend voor een
uitkering ingevolge de Wik. Bij besluit van 11 november 2003 heeft dit
college deze aanvraag gehonoreerd met ingang van 21 augustus 2003,
waarbij ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Wik
de datum van beëindiging
van de uitkering bij ononderbroken gebruik van de Wik
is bepaald op 19
februari 2004. Appellant heeft bij bezwaarschrift van 3 december 2003
aangevoerd dat de datum van beëindiging dient te worden gesteld op 19
januari 2006. Bij besluit van 19 maart 2004 heeft het college van
burgemeester en wethouders van de gemeente Goes het standpunt van
appellant gevolgd.
Op grond van het Besluit van 3 december 2003 (Stb. 509), tot wijziging
van het Uitvoeringsbesluit Wik in verband met het terugbrengen van het
aantal centrumgemeenten belast met de uitvoering van de Wik, is de
gemeente Middelburg met ingang van 1 januari 2004 aangewezen als
centrumgemeente. In verband daarmee is het dossier van appellant
overgedragen van de gemeente Goes naar de gemeente Middelburg.
Bij besluit van 24 mei 2004 heeft het College het recht op uitkering van
appellant met ingang van 19 februari 2004 ingetrokken op de grond dat op
die datum de maximumduur van het recht op uitkering was bereikt. Tevens
is daarbij de over de periode van 19 februari 2004 tot 1 maart 2004 aan
appellant betaalde uitkering tot een bedrag van € 205,07 van hem
teruggevorderd.
Bij besluit van 7 december 2004 heeft het College het bezwaar van
appellant tegen het besluit van 24 mei 2004 ongegrond verklaard. Daarbij
is het College ervan uitgegaan dat appellant vanaf 19 februari 2004 niet
langer recht heeft op een uitkering op grond van de Wik
omdat maximaal
vier jaar recht op uitkering bestaat. Het College heeft, anders dan het
college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goes, de periode
waarover de Wik-uitkering van appellant door het college van
burgemeester en wethouders van Amsterdam achteraf is ingetrokken en
teruggevorderd meegeteld als recht op uitkering.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent
proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 7
december 2004 voor zover het de intrekking betreft ongegrond verklaard
en voor zover het de terugvordering betreft gegrond verklaard en dat
besluit in zoverre vernietigd.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor
zover daarbij het beroep tegen de intrekking ongegrond is verklaard.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De - per 1 januari 2005 vervallen - Wik
is met ingang van 1 januari 2004
gewijzigd in verband met de intrekking van de Algemene bijstandswet
(Abw) per die datum.
In artikel 13, eerste lid, van de Wik
is bepaald dat, al dan niet
aaneengesloten, gedurende ten hoogste vier jaar het recht op uitkering
bestaat. Volgens het tweede lid eindigt het recht op uitkering in elk
geval tien jaar na de dag met ingang van welke voor de eerste maal
uitkering op grond van deze wet werd toegekend.
Ingevolge artikel 15, tweede lid en onder c, van de Wik
is de kunstenaar
verplicht aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit
eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden
waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed
kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht
op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag
dat aan hem als uitkering wordt betaald.
Ingevolge artikel 16, eerste lid en onder c, van de Wik
weigeren
burgemeester en wethouders de uitkering tijdelijk geheel of
gedeeltelijk, onder meer indien de kunstenaar de
inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 15, tweede lid en onder
c, niet binnen de daarvoor door burgemeester en wethouders vastgestelde
termijn is nagekomen.
In artikel 19 van de Wik is bepaald dat het recht op uitkering bestaat
jegens burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende
woonplaats heeft.
In artikel 20, eerste lid (tot 1 januari 2004: derde lid), van de Wik
is
bepaald dat onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van
herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en
terzake van weigering van uitkering, burgemeester en wethouders een
dergelijk besluit herzien of intrekken:
a. indien een gedraging als bedoeld in artikel 16, eerste lid, of het
niet of niet behoorlijk nakomen van een daar bedoelde verplichting heeft
geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
uitkering;
b. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag
is verleend.
Het College heeft zijn standpunt in het bij de rechtbank ingediende
verweerschrift nader onderbouwd met een verwijzing naar de memorie van toelichting bij artikel 13 van de
Wik, waarin is aangegeven dat perioden
waarin de uitkering op grond van artikel 16 van de Wik
geheel is
geweigerd meetellen voor de periode van maximaal vier jaar waarover
recht op uitkering kan bestaan.
Naar het oordeel van de Raad heeft het College de intrekking en
terugvordering van de uitkering van appellant door het college van
burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam over de periode van
1 januari 2001 tot en met 30 november 2002 - waarbij is verwezen naar
artikel 19 van de Wik - ten onrechte gelijkgesteld met een maatregel in
de zin van artikel 16 van de Wik. Het feit dat, zoals de rechtbank heeft
overwogen, appellant over de periode van 1 januari 2001 tot en met 30
november 2002 zijn inlichtingenverplichting niet op juiste wijze is
nagekomen, is daarvoor in dit geval onvoldoende. Ook overigens ziet de
Raad in de hiervoor aangehaalde bepalingen van de Wik
geen ruimte voor
een zodanige uitleg van artikel 13, eerste lid, van de Wik
dat ook
andere dan de in de memorie van toelichting bedoelde periodes waarin
geen recht op uitkering bestaat of achteraf bezien bestond meetellen
voor de periode van maximaal vier jaar waarover uitkering kan worden
verleend.
Het besluit van 7 december 2004 berust derhalve, voor zover het de
intrekking betreft, op een ondeugdelijke motivering. Aangezien de
rechtbank dit niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak, voor
zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal, doende
wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en
het besluit van 7 december 2004 wegens strijd met artikel 7:12, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen voor zover het
de intrekking betreft.
De Raad ziet geen gronden om met toepassing van artikel 8:72, derde lid,
van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen
gedeelte van het besluit van 7 december 2004 in stand blijven. Ingevolge
het bepaalde in artikel 13 van de Wik
bestaat recht op ten hoogste vier
jaar uitkering al dan niet verspreid over maximaal tien jaar. Nu het
recht op uitkering van appellant over de periode van 1 januari 2001 tot
en met 30 november 2002 op grond van artikel 19 van de Wik
is
ingetrokken is de termijn van vier jaar op 19 februari 2004 nog niet
maximaal benut.
De Raad ziet wel aanleiding om, met gebruikmaking van de in artikel
8:72, vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid, het besluit van 24
mei 2004 te herroepen, nu dit in wezen op dezelfde, onhoudbaar gebleken
grondslag berust als het besluit van 7 december 2004.
Het voorgaande brengt mee dat het besluit van het college van
burgemeester en wethouders van de gemeente Goes van 19 maart 2004
herleeft. De Raad gaat ervan uit dat het College de gevolgen daarvan,
aan de hand van de omstandigheden van appellant sedertdien - waaronder
het gegeven dat hem algemene bijstand is toegekend - nader regelt.
De Raad ziet ten slotte aanleiding het College te veroordelen in de
proceskosten van appellant in hoger beroep, begroot op € 644,-- voor
verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 7 december 2004 voor zover het betreft de
intrekking van het recht op uitkering met ingang van 19 februari 2004;
Herroept het besluit van 24 mei 2004;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in hoger beroep
tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Middelburg;
Bepaalt dat de gemeente Middelburg aan appellant het in hoger beroep
betaalde griffierecht van € 103,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en C. van
Viegen en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van R.C. Visser als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 oktober
2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) R.C. Visser.
|
|