|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/6062
WIK
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 september 2005, 04/1650 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (hierna: Commissie).
Datum uitspraak: 9 januari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.F.M. Gulickx, advocaat te Breda, hoger
beroep ingesteld.
De Commissie heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2006.
Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Gulickx. De Commissie heeft
zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant, afkomstig uit Irak, ontving vanaf 12 maart 2002 een uitkering
ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik) in de vorm van
een renteloze lening, naar de norm voor gehuwden.
Bij besluit van 19 februari 2004 heeft de Commissie de uitkering van
appellant over de periode van 12 maart 2002 tot en met 31 december 2002
ingetrokken op de grond dat door het ontbreken van de gevraagde en in
het kader van de definitieve uitkering benodigde gegevens het recht op
uitkering niet kan worden vast gesteld.
Tevens is daarbij de over voornoemde periode aan appellant betaalde
uitkering tot een bedrag van € 8.448,36 van hem teruggevorderd.
Bij besluit van 21 juni 2004 heeft de Commissie het bezwaar van
appellant tegen het besluit van 19 februari 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent
proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 21 juni
2004 gegrond verklaard omdat dit besluit naar haar oordeel op een
onjuiste wettelijke grondslag berust. De rechtbank heeft echter de
rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, met toepassing van artikel
8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in stand gelaten.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd, voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het
vernietigde besluit van 21 juni 2004 in stand heeft gelaten.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wik, zoals
deze bepaling met ingang van 1 januari 2004 luidt, in samenhang bezien
met artikel 16, eerste lid (oud), van de Wik
en artikel 15, tweede lid,
onder c (oud), van de Wik wordt een besluit tot toekenning van uitkering
ingetrokken indien schending van de inlichtingenverplichting heeft
geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
uitkering.
Uit de gedingstukken blijkt dat de Commissie - in het kader van de
vaststelling van de (hoogte van de) definitieve Wik-uitkering op grond
van artikel 9 en 10 (oud) van de Wik - appellant verschillende keren
heeft gevraagd de daarvoor benodigde gegevens te verstrekken. Appellant
heeft die gegevens niet binnen de daarvoor gestelde termijn aan de
Commissie verstrekt. Uit de beschikbare gegevens blijkt voorts dat
appellant heeft verzuimd opheldering te verschaffen omtrent de exacte
hoogte van zijn inkomsten als kunstenaar in de hier van belang zijnde
periode. Zo heeft appellant aan de Commissie een bedrag van € 2.650,--
als totale inkomsten over 2002 opgegeven, maar aan het adviesorgaan
[naam adviesorgaan] een bedrag van € 6.400,--. Waarop die bedragen
zijn gebaseerd is niet duidelijk geworden. Het door appellant aan de
Commissie opgegeven bedrag aan inkomsten over 2002 spoort voorts niet
met het gegeven dat appellant op 14 maart 2002 uit de verkoop van vier
schilderijen een bedrag van € 1.550,-- heeft ontvangen en op 5
december 2002 uit de verkoop van enkele andere werken een bedrag van €
2.233,33, derhalve totaal € 3.783,33.
Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat appellant de
ingevolge artikel 15, tweede lid, aanhef en onder c, (oud) van de Wik
op
hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen en dat als
gevolg daarvan het definitieve recht van appellant op Wik-uitkering ten
tijde als hier van belang niet kan worden vastgesteld.
De grief van appellant dat hij in verband met taalproblemen en
onbekendheid met regelgeving niet wist welke verplichtingen voor hem als
kunstenaar van kracht waren, moet worden verworpen. In het besluit van 7
oktober 2002, waarbij aan appellant met ingang van 12 maart 2002 Wik-uitkering is toegekend, is appellant duidelijk gewezen op de
verplichting om direct of uit eigen beweging mededeling te doen van
alles wat van invloed kan zijn op het recht op of de hoogte van de
uitkering en tevens op de verplichting om naar behoren een administratie
te voeren en daarin desgevraagd inzage te verlenen. Indien een en ander
voor appellant niet duidelijk was dan had hij zich voor het inwinnen van
nadere inlichtingen kunnen wenden tot de sociale dienst van de gemeente
Breda, dan wel eventueel tot een hulpverlenende persoon of instantie.
Gesteld noch geleken is echter dat appellant op enigerlei wijze pogingen
heeft ondernomen om hierover opheldering te verkrijgen.
De Raad is voorts van oordeel - gelet op het karakter van de Wik
daarbij
aansluiting zoekend bij zijn vaste rechtspraak inzake toepassing van de
Algemene bijstandswet en de Wet werk en bijstand - dat het gegeven dat
als gevolg van schending van de wettelijke inlichtingenverplichting het
recht op (een definitieve) Wik-uitkering niet kan worden vastgesteld een
zelfstandige (dat wil zeggen: afzonderlijke) materiële grond vormt voor
intrekking van uitkering.
De Commissie was dan ook gehouden de uitkering van appellant over de
periode van 12 maart 2002 tot en met 31 december 2002 in te trekken. In
hetgeen appellant omtrent zijn eigen gezondheidstoestand en die van zijn
echtgenote heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen om
geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien. Dringende redenen
kunnen naar vaste rechtspraak van de Raad slechts zijn gelegen in de
onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een
intrekking voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele
gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en
waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden
plaatsvindt. Van zodanige consequenties is de Raad in dit geval niet
gebleken.
Het in de onderhavige zaak van toepassing zijnde, sedert 1 januari 2004
geldende, artikel 23d, tweede lid, van de Wik
verplicht de Commissie tot
terugvordering van hetgeen onverschuldigd is betaald voor zover de
kunstenaar dit redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen. De Raad is van
oordeel dat artikel 23d, tweede lid, van de Wik
een wettelijke grondslag
biedt voor terugvordering van bijstand in gevallen als het onderhavige,
waarin een uitkering in de vorm van een lening wordt verstrekt in
afwachting van de vaststelling van de definitieve Wik-uitkering, en deze
uitkering, als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting
waardoor deze vaststelling niet kan plaatsvinden, onverschuldigd blijkt
te zijn betaald.
Nu appellant de uitkering (vooralsnog) ontving in de vorm van een
lening, moest hij er naar het oordeel van de Raad rekening mee houden
dat, indien hij de Commissie in strijd met de op hem rustende wettelijke
verplichting niet de nodige informatie zou verschaffen om het recht op
uitkering definitief te kunnen vaststellen, die uitkering hem ten
onrechte was verleend.
Dat brengt met zich mee dat met betrekking tot de periode van 12 maart
2002 tot en met 31 december 2002 is voldaan aan de voorwaarden voor
toepassing van artikel 23d, tweede lid, van de Wik. Dit betekent dat de
Commissie gehouden was de aan appellant verleende Wik-uitkering van hem
terug te vorderen.
Gelet op vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank de
rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit van 21 juni 2004
terecht in stand heeft gelaten, zodat het hoger beroep niet slaagt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en C. van
Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van P.N. Rijnsewijn als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 9 januari 2007.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) P.N. Rijnsewijn.
|
|