|
Uitspraak
00/4747 WIW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
(de Raad van bestuur van) de Centrale organisatie werk en inkomen in de
plaats van (de Algemene Directie van) de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Algemene
Directie van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Bij besluit van 3 september 1999 is door de vestigingsmanager van de
toenmalige Arbeidsvoorziening Rijnmond namens gedaagde op verzoek van
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpen aan
den IJssel (hierna: de gemeente) een verklaring ingevolge artikel 12 van
de Wet inschakeling werkzoekenden (hierna: Wiw) afgegeven, inhoudend dat
appellant geïndiceerd wordt voor de Wiw en dat geadviseerd wordt hem in
aanmerking te brengen voor een dienstbetrekking in de zin van artikel 4
van de Wiw.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij besluit
van 27 december 1999 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep bij uitspraak van 21 juli 2000 ongegrond verklaard.
Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen op bij het
beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 18 december 2002,
waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. D. Wekker, werkzaam bij de Centrale
organisatie werk en inkomen.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen teneinde de gemeente in de
gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen.
De gemeente heeft bij brief van 31 januari 2003 bericht dat zij niet als
partij wenst deel te nemen aan dit geding.
Het onderzoek is hervat ter zitting van 14 mei 2003, waar appellant niet
is verschenen en waar gedaagde zich wederom heeft laten
vertegenwoordigen door mr. Wekker.
II. MOTIVERING
Ten aanzien van de voor dit geding van belang zijnde feiten, de door
partijen in eerste aanleg ingenomen standpunten, en regelgeving verwijst
de Raad naar rubriek 2 van de aangevallen uitspraak. De door de
rechtbank weergegeven feiten zijn niet door partijen betwist en vormen
ook voor de Raad het uitgangspunt van zijn beoordeling.
De rechtbank heeft het beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond
verklaard. Daartoe heeft zij het volgende overwogen (waarbij voor eiser
moet worden gelezen appellant en voor verweerder gedaagde):
"De rechtbank overweegt dienaangaande dat blijkens de diagnose,
gelet op de inschrijfduur bij het arbeidsbureau, eiser als langdurig
werkloos is aan te merken. Eiser beschikt over een eenzijdige,
specifieke werkervaring. Eiser heeft voorts aangegeven dat hij niet
graag werkt met mensen om zich heen en zo min mogelijk contact met
collega's wenst. Voorts heeft eiser aangegeven dat hij niet in een
kleine ruimte wil werken maar het liefst in de buitenlucht. Met
verweerder is de rechtbank van oordeel dat gelet op eisers werkloosheid
ongeschoold werk passend is en dat dit werk ook beschikbaar is, maar dat
het gelet op de vermelde beperkingen niet waarschijnlijk is dat eiser
hiervoor geselecteerd zal worden. Bovendien heeft eiser zichzelf
zodanige beperkingen voor het aanvaarden van werk op de reguliere markt
opgelegd dat niet gezegd kan worden, dat verweerder zijn kansen op die
arbeidsmarkt miskent.
Verweerder heeft dan ook in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen
dat voor eiser het verlenen van een verklaring als bedoeld in artikel 12
van de Wiw aangewezen is.
Eisers grieven terzake van het verkrijgen van passende arbeid en het
ingeschreven zijn voor WSW-arbeid doen daar niet aan af, aangezien het
bestreden besluit (nog) geen betrekking heeft op de aanbieding van
concrete functies. Het maakt zodanige aanbieding slechts
mogelijk."
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij ten onrechte bij de Wsw is ingeschreven, dat er zich regelmatig vacatures die aansluiten bij
zijn zeer specifieke werkervaring voorgedaan hebben, maar dat hij bij
sollicitaties voor die functies werd afgewezen omdat hij niet beschikte
over een rijbewijs B en dat hij wel in kleine ruimtes en met andere
mensen wil werken, maar niet meer in loodsen of fabrieken en niet met te
veel mensen om zich heen.
In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden
besluit in rechte stand houdt.
In hetgeen in hoger beroep - deels bij wijze van herhaling van het
gestelde in eerste aanleg - is aangevoerd noch anderszins in de
voorhanden gegevens heeft de Raad aanknopingspunten gevonden om in een
andere zin dan de rechtbank te oordelen.
De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en voegt daar
naar aanleiding van het gestelde in hoger beroep aan toe dat de wens van
appellant om niet meer in loodsen en fabrieken of temidden van veel
mensen te werken factoren zijn die, naast zijn zeer specifieke
werkervaring, belemmerend werken om aan de slag te komen in passend
werk.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad acht - tenslotte - geen termen aanwezig om toepassing te geven
aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van R.L.
Rijnen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.
|
|