|
Uitspraak
01/2023 WIW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Assen,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 26
februari 2001, reg.nr. 99/854 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde heeft J.H. Hoendervanger, wonende te Smilde, een
verweerschrift (met bijlagen) ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 29 oktober 2003, waar appellant
zich heeft doen vertegenwoordigen door H.L. van Scheepen, werkzaam bij
de gemeente Assen, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan
door J.H. Hoendervanger.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten
verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met
het volgende.
Gedaagde en zijn echtgenote ontvingen met ingang van 28 augustus 1997
een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (hierna: Abw). In
verband met werkaanvaarding door gedaagde is de uitkering met ingang van
1 januari 1999 beλindigd.
Bij besluit van 30 juni 1999 heeft appellant gedaagdes aanvraag om een
premie werkaanvaarding op grond van de - met ingang van 1 januari 1998
op de Wet inschakeling werkzoekenden berustende - gemeentelijke
Verordening premiebeleid en inkomstenvrijlating Algemene bijstandswet
(hierna: de Verordening) afgewezen.
Bij besluit op bezwaar van 12 november 1999 heeft appellant de afwijzing
gehandhaafd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat gedaagde korter dan
twee jaar aangewezen is geweest op een Abw-uitkering (artikel 3, eerste
lid, van de Verordening), dat de werkaanvaarding niet het gevolg is
geweest van een trajectplan als bedoeld in artikel 70, derde lid, van de
Abw (artikel 3, zesde lid, van de Verordening), alsmede dat er geen
individuele omstandigheden zijn die - niettemin - toekenning van een
premie werkaanvaarding rechtvaardigen (artikel 13 van de Verordening).
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling
omtrent het griffierecht - het tegen het besluit van 12 november 1999
ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant
opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
De rechtbank heeft onder meer het volgende overwogen (waarbij voor eiser
dient te worden gelezen gedaagde en voor verweerder appellant):
"De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser nog geen twee jaar
uitkering ingevolge de Abw ontving op het moment dat hij werk
aanvaardde. De Verordening biedt geen steun voor eisers standpunt dat
bij de duur van de Abw-uitkering de duur van een daaraan voorafgaande
ROA-uitkering zou moeten worden opgeteld.
Eiser voldoet derhalve niet aan artikel 3, eerste lid, van de
Verordening.
(...)
Voor de vraag of eiser heeft voldaan aan artikel 3, zesde lid, van de
Verordening is (
) beslissend of het inburgeringscontract van eiser
kan worden aangemerkt als een arbeidstraject als bedoeld in artikel 70,
derde lid, van de Abw. Verweerder heeft zich in dit verband op het
standpunt gesteld dat het onderhavige inburgeringscontract niet als een
arbeidstraject in de zin van artikel 70, derde lid, van de Abw kan
worden aangemerkt.
De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. Een arbeidstraject in de
zin van artikel 70, derde lid, van de Awb is immers een plan dat is
opgesteld gericht op het vergroten van de mogelijkheden tot
arbeidsinschakeling. Nu het doel van het inburgeringsprogramma is de
inburgering van de nieuwkomer in de Nederlandse samenleving te
bevorderen, waardoor inschakeling in de arbeid wordt bevorderd, is een
inburgeringsprogramma een arbeidstraject als bedoeld in artikel 70,
derde lid, van de Abw."
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen dit laatste
oordeel van de rechtbank gekeerd.
De Raad komt tot het oordeel dat, gelet op het doel en de inhoud van
artikel 70, derde (en vierde) lid, van de Abw en op de de
totstandkomingsgeschiedenis daarvan, een inburgeringsprogramma als door
gedaagde gevolgd niet kan worden aangemerkt als een trajectplan als
bedoeld in artikel 70, derde lid, van de Abw. Een dergelijk
inburgeringsprogramma is immers niet "gericht op het vergroten van
de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling" als vermeld in die
bepaling, maar heeft het - veel ruimere en meer algemene - doel om de
nieuwkomer bekend te maken met de Nederlandse samenleving. Dat zulks
mede tot gevolg kan hebben dat daardoor de mogelijkheden van betrokkene
op de arbeidsmarkt worden vergroot, kan daaraan niet afdoen. Gedaagde
kan derhalve - ook - aan artikel 3, zesde lid, van de Verordening geen
aanspraak op een premie werkaanvaarding ontlenen.
Nu voorts namens gedaagde ter zitting van de Raad uitdrukkelijk is
verklaard dat het - bij de rechtbank onbesproken gebleven - beroep op
artikel 13 van de Verordening niet langer wordt gehandhaafd volgt uit
het voorgaande dat, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het
beroep tegen het besluit van 12 november 1999 alsnog ongegrond moet
worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen
aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. R.M.
van Male en
mr. R.H. de Bock als leden, in tegenwoordigheid van I. Veldman als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) I. Veldman.
|
|