|
Uitspraak
01/2253 WIW en 02/4645 WIW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Rotterdam van 5 maart 2001, reg.nr. NABW 00/2062, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Bij brief van 30 augustus 2002 heeft appellant nadere stukken
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 29 oktober 2003, waar appellant
zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. W.H.K. Bruggeman, werkzaam
bij de gemeente Rotterdam, en waar gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende uit de gedingstukken en het verhandelde
ter zitting gebleken feiten.
Gedaagde ontving tot 12 april 1999 een uitkering ingevolge de Algemene
bijstandswet. Met ingang van 12 april 1999 is zij in dienst getreden van
ASV Diensten B.V. te Gouda. Op 11 januari 2000 heeft zij op grond van
het bepaalde bij en krachtens de Wet inschakeling werkzoekenden (hierna:
Wiw) een uitstroompremie aangevraagd.
Bij besluit van 4 februari 2000 heeft appellant de aanvraag afgewezen op
de grond dat slechts recht bestaat op een uitstroompremie indien de
genoten inkomsten niet hoger zijn dan 90% van het wettelijk minimumloon,
zijnde ten tijde in geding f 2.110,68 per maand. Het inkomen van
gedaagde was echter hoger, namelijk f 2.437,07 per maand.
Bij besluit van 5 september 2000 heeft appellant het bezwaar van
gedaagde tegen het besluit van 4 februari 2000 ongegrond verklaard.
Daarbij is haar beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen. Appellant
heeft daarbij overwogen dat het feit dat aan de collega van gedaagde M.
Afadir, die eveneens meer verdiende dan 90% van het wettelijk
minimumloon, wel een premie van f 500,-- was toegekend, niet kan leiden
tot honorering van het bezwaar aangezien diens gezinssituatie zou kunnen
verschillen van die van gedaagde.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling
omtrent het griffierecht - het beroep van gedaagde tegen het besluit van
5 september 2000 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant
opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van gedaagde tegen
het besluit van 4 februari 2000.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
Bij besluit van 6 augustus 2002 heeft appellant, ter uitvoering van de
aangevallen uitspraak, opnieuw op het bezwaar van gedaagde beslist en
daarbij het bezwaar wederom ongegrond verklaard.
De Raad overweegt ten aanzien van het hoger beroep van appellant het
volgende.
De rechtbank heeft het besluit van 5 september 2000 vernietigd op de
grond dat appellant, in strijd met de ingevolge artikel 3:2 van de
Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op hem rustende verplichting,
heeft nagelaten het door gedaagde in bezwaar gedane beroep op het
gelijkheidsbeginsel (nader) te onderzoeken.
De Raad ziet geen aanknopingspunten om dit oordeel van de rechtbank voor
onjuist te houden.
Daaruit volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Overeenkomstig de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid en 6:24, eerste lid,
van de Awb dient de Raad vervolgens het - nadere - besluit van 6
augustus 2002 bij zijn beoordeling te betrekken, in die zin dat het
beroep van gedaagde tegen het besluit van 5 september 2002 geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van
6 augustus 2002.
Bij dat laatste besluit van 6 augustus 2002 is appellant - wel -
getreden in een inhoudelijke beoordeling van het beroep van gedaagde op
het gelijkheidsbeginsel. Daarbij is vastgesteld dat aan Afadir, die net
als gedaagde alleenstaande was en eveneens meer verdiende dan 90% van
het wettelijk minimumloon, tot tweemaal toe een uitstroompremie is
toegekend. Gezien de duidelijke bewoordingen van de - op de Wiw
gebaseerde - (gemeentelijke) Verordening premie werkaanvaarding en
sociale activering (hierna: de Verordening), zoals die luidde tot 1
april 2000, is dat volgens appellant echter een duidelijke vergissing of
fout geweest. Appellant is van mening dat het gelijkheidsbeginsel niet
meebrengt dat een incidentele fout of vergissing moet worden herhaald.
De Raad is van oordeel dat appellant met juistheid heeft overwogen dat
het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet zover gaat, dat een in een
vergelijkbaar geval gemaakte incidentele fout dient te worden herhaald.
De door de rechtbank - in een naar de Raad moet aannemen ten overvloede
gegeven overweging - aangenomen algemene regel dat dit uitzondering
lijdt indien de groep van gelijke gevallen beperkt is en eigenlijk niet
voor uitbreiding vatbaar is, ligt niet besloten in de in dat verband
door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Raad van 6 september 2000
(gepubliceerd in AB 2001/48).
Nu niet in geschil is dat gedaagde niet voldoet aan de in de Verordening
opgenomen voorwaarden voor toekenning van een uitstroompremie en
appellant voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in het geval van
Afadir een incidentele fout is gemaakt, volgt uit het voorgaande dat het
besluit van 6 augustus 2002 in rechte stand houdt.
Voorzover het beroep geacht moet worden mede tegen dat besluit te zijn
gericht, dient het dan ook ongegrond te worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen
aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen besluit van 6 augustus 2002 ongegrond;
Bepaalt dat van de gemeente Rotterdam een griffierecht wordt geheven van
€ 348,--.
Aldus gegeven door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. R.M.
van Male en mr. R.H. de Bock als leden, in tegenwoordigheid van I.D.
Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 december
2003.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) I.D. Veldman.
|
|