|
Uitspraak
99/3414 WSW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:55 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:
[A.], wonende te [B.], opposant,
en
het Dagelijks Bestuur van het Openbaar Lichaam Sterrenborgh als
rechtsopvolger van het College van burgemeester en wethouders van de
gemeente Gouda, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van 21 december 1999 heeft de Raad het hoger beroep dat
door opposant is ingesteld tegen een ten aanzien van hem gegeven
uitspraak van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage van 8 juni 1999,
onder nummer AWB 98/3076 WSW, niet-ontvankelijk verklaard op de grond
dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald.
Tegen die uitspraak heeft opposant een verzetschrift ingediend.
Bij brief van 20 november 2000, ontvangen ter griffie op 22 november
2000, heeft opposant medegedeeld dat hij niet ter zitting zal
verschijnen, aangezien zijn gemachtigde zich heeft teruggetrokken. De
Raad begrijpt uit die brief dat opposant tevens uitstel van de
behandeling ter zitting verzoekt.
Bij brief van 22 november 2000 heeft de gemachtigde van opposant
bevestigd dat hij niet langer als gemachtigde van opposant optreedt.
De Raad heeft opposant bericht dat geen uitstel van de behandeling werd
verleend en dat in raadkamer nader zal worden bezien of uitstel van de
behandeling alsnog noodzakelijk zal worden geacht.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 23
november 2000. Opposant is aldaar niet verschenen, terwijl geopposeerde
zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Het verzoek om uitstel van de behandeling ter zitting
Namens opposant zijn gronden voor het verzet ingediend, zodat dit
inhoudelijk beoordeeld kan worden.
Opposant is voorts niet de verplichting opgelegd ter zitting te
verschijnen, maar is daartoe (slechts) in de gelegenheid gesteld. Onder
deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat opposant niet in zijn
verdediging wordt geschaad door de behandeling ter zitting niet uit te
stellen. De Raad wijst het verzoek om uitstel derhalve af.
Het verzet
Ingevolge het bepaalde in artikel 22, eerste lid, en in artikel 22,
tweede lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet is opposant bij
schrijven van de Raad van 8 juli 1999, verzonden op 23 augustus 1999,
erop gewezen dat opposant terzake van het instellen van hoger beroep een
griffierecht is verschuldigd van f 170,-, bij voorkeur te voldoen door
middel van de aangehechte acceptgirokaart. Voorts is opposant erop
gewezen dat van het griffierecht geen vrijstelling of vermindering kan
worden verleend.
Bij brief van 2 september 1999 heeft opposant aangegeven dat hij, in
verband met de omstandigheid dat hij een Rww-uitkering ontvangt, niet in
staat is het verschuldigde griffierecht in één keer te voldoen en
heeft hij verzocht het griffierecht in twee termijnen te mogen betalen,
ingaande eind september 1999.
Bij aangetekende brief van 13 september 1999 heeft de Raad dat verzoek
afgewezen en is opposant medegedeeld dat het verschuldigde griffierecht
binnen vijf weken na 13 september 1999 dient te zijn bijgeschreven op de
postgirorekening van de Raad. Daarbij is opposant erop gewezen dat hij
bij overschrijding van die termijn rekening moet houden met
niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.
Bij brief van 14 oktober 1999, bij de Raad binnengekomen op vrijdag 15
oktober 1999, heeft opposant nogmaals verzocht om met zijn eerder gedane
voorstel tot betaling in termijnen akkoord te gaan.
De Raad heeft op deze brief niet meer tijdig kunnen reageren, omdat de
brief is binnengekomen op de laatste werkdag voor maandag 18 oktober
1999, de laatste dag van de termijn waarbinnen het griffierecht voldaan
diende te zijn.
De Raad stelt vast dat opposant het griffierecht niet binnen de gestelde
termijn heeft voldaan.
In een dergelijk geval wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk
verklaard, tenzij redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de
indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.
Namens opposant is aangevoerd dat de Raad door niet te voldoen aan het
verzoek om het griffierecht in termijnen te mogen betalen, opposant de
facto de toegang tot de rechter heeft ontzegd, hetgeen strijdig is met
het bepaalde in artikel 6 in verbinding met artikel 14 van het Europees
Verdrag inzake de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burger- en politieke
rechten (IVBPR).
De Raad ziet in het aangevoerde geen grond om opposants verzet gegrond
te verklaren en overweegt daartoe het volgende.
De enkele omstandigheid dat een griffierecht wordt geheven leidt er
volgens vaste jurisprudentie niet toe dat de toegang tot de rechter
wezenlijk wordt belemmerd.
Het in de onderhavige zaak geheven griffierecht van f 170,- is niet
dusdanig hoog dat hierdoor de toegang tot de rechter in hoger beroep
wordt belemmerd.
Opposant, die reeds in het begin van de door hem op 8 april 1998 in gang
gezette beroepsprocedure bij de rechtbank 's-Gravenhage bekend is
geworden met de verplichting tot betaling van griffierecht, kon mede
gelet op het bepaalde in artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht
en artikel 22 van de Beroepswet, tijdig rekening houden met de
verplichting tot betaling van griffierecht in de hogerberoepsprocedure.
Opposant heeft voorts vanaf 23 augustus 1999 de tijd gehad om het
griffierecht in hoger beroep te voldoen. Nadat zijn verzoek op 13
september 1999 was afgewezen is hij vanaf dat moment nog 5 weken in de
gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen, derhalve tot en met 18
oktober 1999. Opposant is bovendien gewezen op de mogelijke gevolgen van
niet betalen.
Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat opposant voldoende
in de gelegenheid is gesteld het verschuldigde griffierecht van f 170,-
tijdig te voldoen.
Met toepassing van artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht wordt
daarom beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. K.
Zeilemaker en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van
mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4
januari 2001.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) P.M. Okyay-Bloem.
|
|