|
Uitspraak
01/1176 WSW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Dagelijks Bestuur van Integrale Bedrijven Noordoost-Noord-Brabant,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
's-Hertogenbosch van 17 januari 2001, nr. AWB 00/629 WSW, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
De president van deze Raad heeft bij uitspraak van 24 september 2001,
nr. 01/4157 WSW-VV, gedaagdes verzoek om, in verband met de schorsende
werking van het door appellant ingestelde hoger beroep, een voorlopige
voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet
bestuursrecht afgewezen.
Het geding is behandeld ter zitting van 13 december 2001, waar appellant
zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.F.H.P. Canton, secretaris
van appellant, en waar voor gedaagde is verschenen zijn gemachtigde, mr.
M.M.G. Senssen, advocaat te Boxmeer.
II. MOTIVERING
1.1. Gedaagde, geboren in 1954, is na een langdurige periode van
werkloosheid, in december 1992 gekeurd teneinde na te gaan of gedaagde
behoorde tot de personenkring als bedoeld in artikel 7 van de toenmalige
Wet Sociale Werkvoorziening (hierna: WSW). Appellant heeft geoordeeld
dat gedaagde inderdaad behoorde tot de kring van personen die zijn
aangewezen op werk in WSW-verband en heeft gedaagde vervolgens op de
wachtlijst geplaatst. In 1997 is gedaagde gestart met scholing en
training, waarna een werkervaringstraject in gang is gezet.
1.2. Bij besluit van 27 juli 1998 heeft appellant, omdat gedaagde werd
aangemerkt als behorend tot de doelgroep van de inmiddels per 1 januari
1998 in werking getreden Wet sociale werkvoorziening (hierna: Wsw), een
zogeheten indicatiebeschikking afgegeven met de handicapcategorie:
ernstig. De geldigheidsduur van deze indicatiebeschikking eindigde op 21
juli 2001. In verband hiermee bleef gedaagde zijn indertijd op de
wachtlijst verworven plaats behouden.
1.3. Omdat gedaagde volgens appellant onvoldoende meewerkte aan het
verkrijgen van een dienstverband in de zin van de Wsw heeft appellant
bij besluit van 10 september 1999 de indicatie van gedaagde voor de Wsw
vervallen verklaard. Gedaagde heeft daartegen bezwaar gemaakt en
aangevoerd dat hij zich slecht behandeld voelde en geen zin meer had in
gesprekken en discussies. Appellant heeft vervolgens het bezwaar bij
besluit van 13 december 1999 gegrond verklaard en nader besloten dat
gedaagde van de wachtlijst wordt gehaald, totdat hij aangeeft wel
medewerking te zullen verlenen bij het zoeken van een passende
arbeidsplek.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het
bestreden besluit gerichte beroep van gedaagde gegrond verklaard en het
bestreden besluit vernietigd, omdat noch in de Wsw noch in het op die
wet gebaseerde Besluit indicatie sociale werkvoorziening (gepubliceerd
in Stb. 1997, 469) een grondslag aanwijsbaar is voor het besluit om
gedaagde van de wachtlijst te halen.
3. Evenals de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat noch in de Wsw
noch in het op die wet gebaseerd Besluit indicatie sociale
werkvoorziening een grondslag aanwijsbaar is voor appellants besluit om
gedaagde van de wachtlijst te halen. De Raad overweegt daartoe het
volgende.
3.1. Artikel 7, eerste lid, van het Besluit indicatie sociale
werkvoorziening geeft voorschriften met betrekking tot het beheer van de
wachtlijst. In het vierde lid van dat artikel is - limitatief -
aangegeven in welke acht gevallen een betrokkene van de wachtlijst wordt
gehaald. De thans door appellant beschreven situatie behoort daar niet
bij, hetgeen overigens door appellant ook wordt erkend.
3.2. Appellant acht zich evenwel gerechtigd om gedaagde met analoge
toepassing van artikel 6, tweede lid, van de Wsw, van de wachtlijst te
halen. Appellant is van mening dat de ingevolge artikel 6, eerste lid,
van de Wsw voor de werknemer geldende verplichting om mee te werken aan
het behoud en het bevorderen van zijn arbeidsbekwaamheid ook geldt voor
de kandidaat-werknemer die op de wachtlijst staat en dat het verzaken
van die verplichting gesanctioneerd kan worden met het besluit
betrokkene van de wachtlijst te halen.
3.3. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank er terecht op
gewezen dat degene die in de fase verkeert dat hij op de wachtlijst
staat niet kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van de Wsw.
Blijkens artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsw wordt
immers onder werknemer verstaan degene die een dienstbetrekking heeft,
en daarvan is bij degene die op de wachtlijst staat (nog) geen sprake.
Voorts biedt ook de wetsgeschiedenis van artikel 6 van de Wsw geen enkel
aanknopingspunt voor de gedachte dat de wetgever de mogelijkheid heeft
willen openen om met toepassing van dat artikel voor personen die geen
werknemer zijn een besluit te nemen als hier in geding. Aangezien
zodanige bevoegdheid ook overigens niet in de Wsw of de daarop
gebaseerde regelgeving is te ontwaren moet de Raad tot de conclusie
komen dat appellant niet bevoegd is om gedaagde op de door hem
gehanteerde grond van de wachtlijst te halen.
3.4. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het bestreden besluit
terecht heeft vernietigd, zodat de aangevallen uitspraak moet worden
bevestigd.
4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de
proceskosten van gedaagde in hoger beroep ten bedrage van € 644,-
wegens verleende rechtsbijstand.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van
€ 644,-, te betalen door Integrale bedrijven Noordoost-Noord-Brabant
aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat van Integrale bedrijven Noordoost-Noord-Brabant een recht
van € 327,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. K. Zeilemaker
en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. C.
Dierdorp als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari
2002.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) C. Dierdorp.
|
|