|
Uitspraak
00/392 WSW en 00/394 WSW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
het Algemeen Bestuur van de Dienst Werkbedrijf voor gesubsidieerde
arbeid, activering en trajecten Midden-Langstraat, gevestigd te
Waalwijk, appellant,
en
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een tweetal uitspraken
van de rechtbank Breda van 13 december 1999, nrs. 98/2027 WSW VI en
99/738 WSW VI, waarnaar hierbij wordt verwezen. Nadien zijn namens
appellant nadere stukken ingezonden.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn gevoegd met de gedingen 99/3923 WSW, 00/395 WSW,
00/4698 WSW, 01/826 WSW en 01/1314 WSW behandeld ter zitting van 7
februari 2002, waar namens appellant zijn verschenen mr. G.C.M. van
Ruijven, werkzaam bij het Nationaal overlegorgaan sociale
werkvoorziening en mr. A. Brouwer, werkzaam bij appellants werkbedrijf.
Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.P.M. Schenkels en
J. Zondag, beiden werkzaam bij gedaagdes ministerie.
II. MOTIVERING
1. De Raad merkt vooreerst op dat ingevolge artikel 17 van de op 1
januari 1998 in werking getreden Wet sociale werkvoorziening (Wet van 11
september 1997, Stb. 465) op de behandeling van dit geding het recht van
toepassing blijft zoals dat vσσr de genoemde datum van
inwerkingtreding van die wet gold.
1.1. Bij budgetbrief van 29 september 1993 en vervolgbrieven van 7
oktober 1993, 23 juni 1994 en 13 december 1994 heeft gedaagde voormeld
werkbedrijf op grond van artikel 40, eerste lid, van de tot 1 januari
1998 geldende Wet Sociale Werkvoorziening (WSW), een vergoeding (hierna:
de vergoeding) van f 22.885.000,- voor het jaar 1994 toegekend op basis
van de door appellant verstrekte gegevens met betrekking tot de omvang
en samenstelling van het werknemersbestand, de wachtlijst en de
doorstroom- en uitstroomgegevens. Deze vergoeding bedroeg per
gerealiseerde arbeidsplaats een bedrag van ruim f 42.000,-.
1.2. Naar aanleiding van appellants jaarverantwoording heeft gedaagde de
vergoeding over 1994 bij besluit van 27 januari 1998 met toepassing van
artikel 44, aanhef en onder e, van de WSW, f 35.000,- lager vastgesteld
omdat 14 plaatsingen van werknemers niet voldeden aan gedaagdes beleid
inzake zorgvuldige en evenwichtige plaatsing (hierna: zeep-beleid), en
nog eens f 20.000,- omdat appellant in 1994 niet voldeed aan de
taakstelling uitstroom, inhoudend dat 0,5% van de WSW-werknemers dient
uit te stromen naar regulier werk.
1.3. Na bezwaar heeft gedaagde eerstgenoemde korting teruggebracht van f
35.000,- tot f 17.500,- omdat 7 plaatsingen alsnog in overeenstemming
met het zeep-beleid zijn geacht. Voor het overige is het besluit van 27
januari 1998 bij het bestreden besluit van 29 oktober 1998 gehandhaafd.
Het beroep tegen dit besluit is bij de aangevallen uitspraak met
nr. 98/2027 WSW VI ongegrond verklaard.
1.4. Bij budgetbrief van 29 september 1994, gevolgd door brieven van 18
juli 1995, 15 december 1995 en 4 maart 1996, heeft gedaagde de
vergoeding voor het jaar 1995 bepaald op f 23.176.000,-. Deze vergoeding
bedroeg per gerealiseerde arbeidsplaats eveneens ruim f 42.000,-.
1.5. Naar aanleiding van appellants jaarsverantwoording over 1995 heeft
gedaagde de vergoeding over 1995 bij besluit van 4 september 1998 f
40.000,- lager vastgesteld, omdat 16 plaatsingen niet voldeden aan het
zeep-beleid.
1.6. Na bezwaar heeft gedaagde deze korting teruggebracht van f 40.000,-
naar f 15.000,- omdat 10 plaatsingen alsnog in overeenstemming met het
zeep-beleid zijn geacht, Voor het overige is het besluit van 4 september
1998 bij het bestreden besluit van 31 maart 1999 gehandhaafd. Het beroep
tegen dit besluit is bij de aangevallen uitspraak met nr. 99/738 WSW VI
ongegrond verklaard.
2. Naar aanleiding van de in hoger beroep door partijen ingenomen
standpunten overweegt de Raad als volgt.
3. Ingevolge artikel 44, aanhef en onder e, van de WSW, kan gedaagde de
toegekende vergoeding na afloop van het desbetreffende jaar geheel of
gedeeltelijk terugvorderen of verrekenen indien naar zijn oordeel sprake
is van ondoeltreffende uitvoering van de WSW. Bij zijn nota "De
toetsing van de uitvoering door gemeenten van de Wet Sociale
Werkvoorziening" van 9 juli 1993 (hierna: de nota) en in nummer 10
van jaargang 1993 van de "Nieuwswijzer, Informatiebulletin Wet
Sociale Werkvoorziening" heeft gedaagde aan alle gemeentebesturen
en de bestuurlijke eenheden die werkverbanden als bedoeld in artikel 10
van de WSW in stand houden (hierna: de bestuurlijke eenheden), zijn
beleid met betrekking tot de toepassing van artikel 44, aanhef en onder
e, van de WSW, bekendgemaakt.
3.1. In de nota wordt het toezicht van gedaagde beschreven op de
besteding van de middelen die de bestuurlijke eenheden in het kader van
de budgetfinanciering zijn toegekend, worden de normen vermeld die
gedaagde hanteert bij de toetsing van de doeltreffendheid van de
besteding van die middelen en wordt aangegeven welke kortingsmaatregelen
de bestuurlijke eenheid ingeval van niet naleven van deze normen te
wachten staan.
3.2. De bestuurlijke eenheid dient minimaal het aantal in de jaarlijkse
budgetbrief vermelde arbeidsplaatsen - op grond waarvan de vergoeding
wordt berekend - te realiseren. Indien dit niet is gelukt en de
bestuurlijke eenheid niet aannemelijk kan maken dat zulks niet
verwijtbaar is, dan wordt volgens de nota per niet gerealiseerde
arbeidsplaats de volledige voor die plaats toegekende vergoeding
teruggevorderd.
3.3. Voorts bevat de nota regels omtrent het beleid dat de bestuurlijke
eenheid dient te voeren bij de plaatsing als werknemer van degenen die
op de wachtlijst zijn opgenomen en omtrent de inspanningen die de
bestuurlijke eenheid zich terzake dient te getroosten. De regels
schrijven een zorgvuldige en evenwichtige plaatsing voor en worden
daarom aangeduid als het "zeepbeleid". Met dit beleid wordt
beoogd voor allen die op WSW-arbeid zijn aangewezen uitvoering te geven
aan het beginsel van gelijke kansen, ongeacht de aard van de handicap of
de verwachte mate van productiviteit van de kandidaat-werknemer.
3.3.1. Het zeep-beleid brengt met zich mee dat de kandidaat-werknemers
die op de wachtlijst zijn opgenomen gelijke kansen op plaatsing als
werknemer dienen te hebben en daarom ongeacht de aard van hun handicap
of de verwachte mate van productiviteit in volgorde van hun plaats op de
wachtlijst een arbeidsplaats aangeboden moeten krijgen. Omdat een
strikte hantering van de eis dat de volgorde op de wachtlijst bepalend
is (al te grote) uitvoeringsproblemen zou kunnen geven, bepaalt de nota
dat de volgorde van de zogenoemde jaarcohorten moet worden aangehouden.
Personen die aan het begin van het boekjaar langer dan 3 jaar op de
wachtlijst staan behoren tot het eerste cohort, zij die 2 tot 3 jaar
daarop staan behoren tot het tweede, van 1 tot 2 jaar tot het derde en
de personen die van 0 tot 1 jaar op de wachtlijst staan worden ingedeeld
in het vierde cohort. De personen uit het eerste jaarcohort dienen het
eerste als werknemer geplaatst te worden. Pas als daaruit geen
kandidaten kunnen worden geselecteerd, komen kandidaten uit het tweede
cohort voor plaatsing in aanmerking en zo verder.
3.3.2. Om de bestuurlijke eenheden enige ruimte te bieden voor eigen
beleid, bepaalt de nota dat de bestuurlijke eenheid 25% van het totaal
aantal op de wachtlijst voorkomende personen onafhankelijk van voormelde
cohortvolgorde mag plaatsen. Dit contingent van 25% waarbij personen in
afwijking van de cohortvolgorde kunnen worden geplaatst, is volgens de
nota voornamelijk bestemd om dreigend verlies aan vaardigheden te
voorkomen of om sleutelfuncties te vervullen. Een sleutelfunctie is
omschreven als een functie waarvan de werkgelegenheid van anderen binnen
de werkeenheid afhankelijk is.
3.3.3. Indien in strijd met voormelde regels meer dan 25% van de in het
desbetreffende jaar geplaatste personen afkomstig is uit jongere
cohorten, terwijl er in dat jaar op de wachtlijst nog personen staan uit
oudere cohorten, onderzoekt gedaagde of dit verwijtbaar is. In de
praktijk acht gedaagde (boven de grens van 25% uitstijgende)
niet-plaatsingen slechts niet verwijtbaar als de door de bestuurlijke
eenheid terzake gevolgde werkwijze in overeenstemming met het
zeep-beleid is geweest, dan wel als de bestuurlijke eenheid aannemelijk
maakt dat het ter voorkoming van verlies aan vaardigheden of ter
vervulling van sleutelfuncties nodig was om bij meer dan 25% van de
plaatsingen van de jaarcohortvolgorde af te wijken. Elke verwijtbare
niet-plaatsing leidt volgens de nota tot een terugvordering van een
forfaitair bedrag van f 10.000,-.
3.3.4. De nota benadrukt voorts dat de uitvoering van het beschreven
zogenoemde first in first out (fifo) beginsel van de bestuurlijke
eenheden een veel actievere behandeling van de wachtlijst vergt dan
voordien het geval was, in die zin dat zodra iemand op de wachtlijst is
geplaatst moet worden nagegaan welk type werkzaamheden voor betrokkene
noodzakelijk is, teneinde zodanige werkzaamheden voor betrokkene tijdig
beschikbaar te hebben. Het informatiebulletin voegt hieraan toe dat dit
kan inhouden dat voor de kandidaat-werknemer nieuw werk wordt gezocht,
dat een bestaande functie wordt aangepast aan de handicap van de
betrokkene en/of dat een opleidingsplan wordt uitgevoerd. Deze methode
wordt "de activerende en anticiperende methode" genoemd, ter
onderscheiding van de werkwijze die als het "vacature-beleid"
wordt aangeduid welke werkwijze inhoudt dat de bestuurlijke eenheid
wacht tot een vacature ontstaat om vervolgens daarbij een persoon te
zoeken die beschikt over de benodigde capaciteiten.
3.5. De nota bevat eveneens regels inzake de vereiste jaarlijkse
uitstroom. De bestuurlijke eenheden dienen vanaf 1994 jaarlijks een
doorstroom van tenminste 1% van de werknemers naar het vrije
bedrijfsleven te realiseren. Komt het resultaat lager uit, dan vindt
volgens de nota eveneens terugvordering plaats van een forfaitair bedrag
van f 10.000,- per werknemer waarmee de bestuurlijke eenheid onder de
gestelde norm is gebleven, tenzij zij aannemelijk kan maken dat zij
voldoende inspanningen ter bevordering van doorstroming heeft gedaan.
3.6. Bij circulaire van 7 juli 1997 heeft gedaagde aan de bestuurlijke
eenheden bekendgemaakt dat de korting wegens verwijtbaar
niet-doeltreffende uitvoering bij de vaststelling van de vergoeding over
de jaren 1994, 1995 en 1996 slechts voor 25% zal plaatsvinden en voor
1997 slechts voor 50%, hetgeen betekent dat over die jaren per
verwijtbare niet-plaatsing feitelijk f 2.500,- onderscheidenlijk f
5.000,- wordt teruggevorderd. Bij die zelfde circulaire is voorts de
norm voor de jaarlijks vereiste uitstroom verlaagd van 1% naar 0,5%.
4. Appellant betoogt dat de in de nota vervatte regels onrechtmatig en
derhalve onverbindend zijn nu ze niet bij algemene maatregel van bestuur
zijn gegeven. Hij beroept zich hiervoor op het legaliteitsbeginsel, de
bedoeling van de WSW en de omstandigheid dat de kortingsmaatregelen het
karakter van een administratieve boete dragen.
4.1. De Raad overweegt dat de in de nota vervatte regels inzake de
toepassing van artikel 44, aanhef en onder e, van de WSW, het karakter
van beleidsregels dragen. Appellants beroep op het legaliteitsbeginsel
faalt, nu de wetgever in dit artikelonderdeel gedaagde uitdrukkelijk de
(discretionaire) bevoegdheid heeft verleend de toegekende vergoeding
wegens ondoeltreffende uitvoering van de WSW geheel of gedeeltelijk
terug te vorderen en die verlening tevens de bevoegdheid meebrengt
terzake beleidsregels vast te stellen.
4.2. Appellants stelling dat naar de bedoeling van de wetgever de in de
nota vervatte regels alleen bij algemene maatregel van bestuur kunnen
worden vastgesteld, berust in de eerste plaats op de volgende passage in
de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 20 512 tot wijziging van
onder meer artikel 44 van de WSW (Tweede Kamer, vergaderjaar 1987-1988,
nr. 3): "Als toepassing aan dit artikel wordt gegeven, moet er
sprake zijn van uitgaven, die gedaan zijn in strijd met het bij of
krachtens deze wet bepaalde dan wel niet op bevredigende wijze zijn
verantwoord. Het ligt niet in de bedoeling de uitvoeringsorganen
hinderlijk te volgen op punten van ondergeschikt belang."
4.3. De Raad kan appellant niet volgen. Reeds uit de opbouw van bedoelde
memorie van toelichting blijkt dat de door appellant bedoelde passage
ondanks haar woorden "dit artikel" alleen op onderdeel a van
artikel 44 slaat: de terugvordering van de vergoeding in geval van
uitgaven die gedaan zijn in strijd met het bij en krachtens de wet
bepaalde. In die memorie wordt onderdeel a eerst vrijwel letterlijk
herhaald en na de door appellant aangehaalde passage volgt een
afzonderlijke beschouwing inzake de andere gronden waarop terugvordering
van vergoeding kan plaatsvinden. Voorts zou appellants opvatting dat
bedoelde passage mede op de onderdelen b tot en met e, van artikel 44
betrekking heeft, meebrengen dat terugvordering op grond van deze
onderdelen slechts mogelijk is als terzake van de hierin vermelde
tekortkomingen elders in of krachtens de WSW algemeen verbindende
voorschriften zouden zijn gesteld. De Raad ziet geen enkele aanleiding
te oordelen dat de wetgever een dergelijke extra voorwaarde voor de
mogelijkheid van terugvordering heeft willen stellen. Dat de door
appellant ingeroepen passage desalniettemin wel de (beperktere)
strekking zou hebben dat regels omtrent de uitoefening van de bij de
onderdelen b tot en met e, van artikel 44, verleende discretionaire
terugvorderingsbevoegdheid slechts bij algemeen verbindend voorschrift
gegeven kunnen worden - zoals appellant betoogt - vermag de Raad evenmin
in te zien.
4.4. Appellant stelt vervolgens dat het zeep-beleid in strijd is met
het, in de memorie van toelichting bij het oorspronkelijke artikel 14
van de WSW verwoorde, standpunt dat bij het beheer van het werkverband
het sociale en het economische aspect in onderling verband moeten worden
gezien en dat vanwege die strijd de in de nota vervatte regels slechts
bij algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 14 van de WSW
gegeven kunnen worden.
4.5. Ook hierin kan de Raad appellant niet volgen. Artikel 7 van de WSW
bevat de kernbepaling van de WSW, inhoudende dat het gemeentebestuur
verplicht is te bevorderen dat voor de in dat artikel bedoelde personen
gelegenheid bestaat tot het verrichten van arbeid onder aangepaste
omstandigheden welke zoveel mogelijk gericht is op het behoud, het
herstel of de bevordering van hun arbeidsgeschiktheid. Blijkens de
memorie van toelichting bij het oorspronkelijke artikel 14 van de WSW
moet het gemeentebestuur daarbij het economisch aspect weliswaar niet
verwaarlozen, maar, zo vervolgt die memorie: "Het omgekeerde: een
scherp economisch beleid waaraan de belangen der gehandicapten
ondergeschikt worden gemaakt, is nog minder wenselijk, omdat het de
doelstelling van de sociale werkvoorziening uit het oog verliest."
De Raad kan, mede gelet op deze laatste passage, een beleid als het
zeep-beleid, waarmee beoogd wordt de in artikel 7 bedoelde personen bij
gelijke duur van hun plaatsing op de wachtlijst ongeacht de aard van de
handicap en de mate van productiviteit gelijke kansen te bieden, en
waarmee het begrip 'doeltreffendheid' wordt geoperationaliseerd, niet
met (het doel van) de WSW in strijd achten. Derhalve kan de Raad
daarlaten of een dergelijke strijd, als daarvan wel sprake zou zijn
geweest, bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 14 van
de WSW zou kunnen worden opgeheven zoals appellant veronderstelt.
4.6. Verder betoogt appellant dat de toegepaste korting wegens het
ontbreken van causaal verband tussen het teruggevorderde of verrekende
bedrag en de toegekende vergoeding een administratieve boete is en als
een 'criminal charge' in de zin van artikel 6 van het Europees verdrag
tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
moet worden beschouwd.
Ook om deze reden mag volgens appellant die korting niet volgens de in
de nota neergelegde regels worden opgelegd, maar kan dit slechts
gebeuren op grond van een algemeen verbindend voorschrift.
4.7. De Raad kan appellant ook hierin niet volgen. Hij stelt vast dat
het hier uitsluitend gaat om de gedeeltelijke terugvordering van de in
artikel 40, eerste lid, van de WSW geregelde vergoeding op grond van de
aan gedaagde ingevolge artikel 44, aanhef en onder e, van de WSW
toekomende terugvorderingsbevoegdheid. Deze bevoegdheid komt gedaagde
toe indien naar zijn oordeel de WSW onvoldoende doeltreffend - waaronder
afwijkend van het zeep-beleid en/of uitstroombeleid - wordt uitgevoerd
ter aansporing van de bestuurlijke eenheden om in het vervolg zulks wel
te doen. Het niet volgen van de door gedaagde voorgeschreven handelwijze
ter doelmatige uitvoering van de wet kan bovendien niet worden
aangemerkt als de overtreding door appellant van een strafrechtelijke
norm. Evenmin noopt de omvang van het teruggevorderde bedrag tot het
oordeel dat het hier om een strafsanctie gaat. Gedaagde is op grond van
de laatst vermelde bepaling niet bevoegd mιιr terug te vorderen dan
hij aan vergoeding heeft betaald, terwijl hij in het onderhavige geval
feitelijk (aanzienlijk) minder terugvordert.
5. Verder is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het zeep-beleid de
grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat. De Raad
neemt daarbij in aanmerking dat gedaagde met dit beleid de realisering
van de kerndoelstelling van artikel 7 van de WSW beoogt te bevorderen.
Daartoe maakt gedaagde de omvang van de door hem betaalde vergoeding
mede afhankelijk van de mate waarin en de wijze waarop de bestuurlijke
eenheden het door gedaagde voorgestane beleid verwezenlijken. De Raad
deelt niet de mening van appellant dat in dit beleid onvoldoende gewicht
wordt toegekend aan de economische aspecten van de bedrijfsvoering en de
noodzaak van handhaving van de werkgelegenheid voor het zittende
werknemersbestand. Gelet op (a) het systeem van cohortsgewijze
plaatsing, waarbinnen appellant ruimte heeft met de ene persoon in een
jaarcohort eerder een dienstbetrekking aan te gaan dan met een ander in
het zelfde cohort, en (b) het gegeven dat appellant binnen een marge van
25% van het totaal aantal jaarlijkse plaatsingen vrij is naar eigen
inzicht personen een dienstbetrekking aan te bieden, is de Raad van
oordeel dat niet gezegd kan worden dat in het beleid van gedaagde met
deze aspecten in onvoldoende mate rekening is gehouden.
6. Evenmin volgt de Raad appellant in zijn opvatting dat het in de nota
neergelegde beleid onvoldoende kenbaar was en dat het hem volstrekt niet
duidelijk was noch kon zijn wat dient te worden verstaan onder
verwijtbare en niet-verwijtbare niet-plaatsingen, welke begrippen in de
nota zonder verdere uitleg worden gebruikt. De nota is appellant door
gedaagde bij begeleidende brief van 16 augustus 1993 toegezonden en het
informatiebulletin waarin het beleid wederom is beschreven is in
september 1993 verschenen. Appellant is derhalve tijdig op de hoogte
gebracht van dat beleid. Gezien de appellant bekende doelstelling van
het zeep-beleid, dat in duidelijke bewoordingen in de nota is neergelegd
en waarbij gedaagde het strikte kader heeft aangegeven waarin aan het
fifo-beginsel moet worden voldaan, kon en moest het voor appellant
voorts duidelijk zijn dat een niet-plaatsing waaraan voorafgaand niet
aan de normen van dat beleid is voldaan - met andere woorden indien
appellant niet activerend en anticiperend te werk is gegaan teneinde een
betrokkene toch te kunnen plaatsen - in beginsel verwijtbaar is, in die
zin dat appellant daarvoor verantwoordelijk moet worden gehouden.
Hetzelfde geldt voor het geval niet aan de norm van uitstroom is voldaan
terwijl door de desbetreffende bestuurlijke eenheid geen maatregelen ter
bevordering daarvan zijn genomen. De Raad ziet niet dat het begrip
verwijtbaarheid in dit verband onvoldoende duidelijk was voor appellant.
Mocht appellant inderdaad niet hebben begrepen wat hier onder
verwijtbaarheid onderscheidenlijk niet-verwijtbaarheid moest worden
verstaan, dan had hij zich tot gedaagde kunnen wenden om zich
daaromtrent tijdig te laten informeren. Het risico van het nalaten
daarvan dient voor rekening van appellant te komen.
7. Aan het oordeel van de Raad doet evenmin af dat gedaagde is afgeweken
van het advies van zijn rijksconsulent, die in het bevindingenrapport
1994 de overschrijding van de fifo-norm met 14 plaatsingen niet
verwijtbaar achtte omdat sprake was van een zorgvuldig plaatsingsbeleid.
Gedaagde was aan dat advies niet gebonden. Uit het bevindingenrapport
1994 komt duidelijk naar voren dat plaatsing niet geschiedde volgens het
zeep-beleid, waaraan niet kan afdoen dat plaatsing overigens op
zorgvuldige wijze plaatsvond, waarbij werd gemotiveerd waarom iemand met
voorrang was geplaatst. Voor dergelijke voorkeursplaatsingen is immers
de marge van 25% bedoeld. Ten aanzien van het jaar 1995 heeft de
rijksconsulent zelf aangegeven dat plaatsing niet geschiedde volgens het
zeep-beleid, omdat plaatsing niet geschiedde vanuit het aanbod van
kandidaten maar vanuit de vraag vanuit de organisatie.
8. Anders dan appellant vermag de Raad voorts niet in te zien dat
gedaagde het terug te vorderen bedrag in beginsel niet op het
(forfaitair vastgestelde) bedrag van f 10.000,- - nadien verlaagd tot f
2.500,- - per verwijtbare niet-plaatsing heeft mogen stellen. De
uitkomst van de afweging die gedaagde daartoe blijkens de gedingstukken
heeft gemaakt en waarbij rekening is gehouden met het voor de uitvoering
van de WSW voor de bestuurlijke eenheden benodigde budget acht de Raad
niet onredelijk. De Raad ziet er niet aan voorbij dat het vaststellen
van het terug te vorderen bedrag, indien dat niet wordt gesteld op de
gehele vergoeding, een arbitrair element bevat, maar dit betekent niet
dat daarmee dit onderdeel van het beleid als onrechtmatig moet worden
bestempeld.
9. De Raad stelt verder vast dat het bestreden besluit is genomen in
overeenstemming met het door gedaagde gevoerde beleid. Appellant heeft
nog betoogd dat zich ten aanzien van de niet volgens dat beleid
geplaatste personen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan die
afwijking door gedaagde van dat beleid rechtvaardigen en dat, nu
gedaagde dit niet heeft gedaan, het bestreden besluit in rechte geen
stand kan houden. De Raad overweegt dienaangaande dat de naar voren
gebrachte omstandigheden zijn terug te voeren op appellants belang om
arbeidsplaatsen in stand te houden en de wens zoveel mogelijk
bedrijfseconomisch verantwoord tewerk te gaan. Dat belang kan naar het
oordeel van de Raad echter niet worden beschouwd als een bijzondere
omstandigheid die gedaagde noopte tot afwijking van zijn beleid, nu er
in dat beleid juist uitdrukkelijk in is voorzien dat aan het
fifo-beginsel voorrang moet worden gegeven boven bedrijfseconomische
overwegingen. Dat de minder gunstige economische omstandigheden en de
slechtere arbeidsmarkt appellant noodzaakten tot de bedoelde
plaatsingen, zoals appellant ook naar voren heeft gebracht, is evenmin
een bijzondere omstandigheid die gedaagde aanleiding had moeten geven
terugvordering achterwege te laten. Het door gedaagde gevoerde beleid
gaat er nu juist vanuit dat appellant, onafhankelijk van de
arbeidsmarkt, activerend en anticiperend plaatsing van personen
bevordert, zodat die plaatsing cohortsgewijs plaats kan vinden.
10. Met betrekking tot de terugvordering van f 20.000,- van de
vergoeding over 1994 wegens onvoldoende uitstroom heeft appellant
evenals in eerste aanleg een beroep gedaan op een verklaring van de
vestigingsmanager [A.] van het arbeidsbureau [Z.] van 29 juni 1999. De
Raad is van oordeel dat uit deze verklaring niet kan worden afgeleid dat
appellant wel voldoende inspanningen gericht op uitstroom heeft
verricht. De Raad wijst er daarbij nog op dat uit de (bijlagen bij de)
brief van appellant aan gedaagde van 15 juni 1998, met name uit het
daarbij gevoegde strategisch plan 1995 - 1997, duidelijk blijkt dat pas
met ingang van 1995 daadwerkelijk activiteiten gericht op uitstroom in
gang zijn gezet.
11. Gezien het vorenoverwogene slagen de hoger beroepen niet. De
aangevallen uitspraken komen voor bevestiging in aanmerking. De Raad
acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr.
T. Hoogenboom en mr. J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van
N. Doekharan als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 april
2002.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) N. Doekharan.
|
|