|
Uitspraak
00/1470 WSW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het [X.], te [Y.], appellant,
en
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Utrecht van 3 februari 2000, nr. SBR 98/2196, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 7 maart 2002, waar namens
appellant zijn verschenen E.M. Uijting werkzaam bij voormeld openbaar
lichaam en mr. P.J. Schaap, werkzaam bij Capra Zwolle. Gedaagde heeft
zich doen vertegenwoordigen door mr. H.P.M. Schenkels en J. Zondag,
beiden werkzaam bij gedaagdes ministerie.
II. MOTIVERING
1. De Raad merkt vooreerst op dat ingevolge artikel 17 van de op 1
januari 1998 in werking getreden Wet sociale werkvoorziening (Wet van 11
september 1997, Stb. 465) op de behandeling van dit geding het recht van
toepassing blijft zoals dat vσσr de genoemde datum van
inwerkingtreding van die wet gold.
1.1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger
weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden
volstaat de Raad met het volgende.
1.2. Bij besluit van 23 januari 1996 heeft gedaagde de over het jaar
1993 aan appellant ingevolge artikel 40, eerste lid, van de tot 1
januari 1998 geldende Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) toegekende
rijksvergoeding (hierna: de vergoeding) van f 16.393.400,- tot een lager
bedrag herzien en in verband daarmee een bedrag van f 289.800,- van
appellant teruggevorderd. Dat besluit werd na bezwaar gehandhaafd bij
besluit van 4 juli 1996. Tegen het besluit van 4 juli 1996 heeft
appellant beroep bij de rechtbank ingesteld. Op 14 mei 1997 heeft
appellant aan gedaagde het teruggevorderde bedrag van f. 289.800,-
betaald.
1.3. In haar uitspraak van 20 januari 1998, reg. nr. 1996/2104 WSW, is
de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de door appellant aan gedaagde
verstrekte gegevens op grond waarvan gedaagde appellant de vergoeding
ingevolge artikel 40 van de WSW had toegekend, onjuist waren. Op grond
hiervan heeft de rechtbank overwogen dat niet kan worden geoordeeld dat
gedaagde heeft gehandeld in strijd met enig algemeen beginsel van
behoorlijk bestuur door bij het besluit van 23 januari 1996 de
vergoeding over 1993 nader, nu met inachtneming van correcte gegevens,
vast te stellen. De rechtbank was voorts van oordeel dat artikel 44 van
de WSW, waarin is bepaald dat gedaagde na afloop van het jaar waarop de
vergoeding betrekking heeft deze kan terugvorderen of verrekenen in een
aantal in die bepaling genoemde gevallen, zich verzet tegen een aan
gedaagde eventueel toekomende terugvorderingsbevoegdheid, omdat het door
haar te beoordelen geval niet in die bepaling voorkomt. De rechtbank
heeft het besluit van 4 juli 1996, voorzover betrekking hebbend op de
terugvordering derhalve vernietigd en het besluit van 23 januari 1996
heeft zij, eveneens voorzover betrekking hebbend op de terugvordering,
herroepen. Partijen hebben in die uitspraak berust.
1.4. Bij brief van 23 februari 1998 heeft appellant gedaagde verzocht om
terugbetaling van het bedrag van f 289.800,- stellend dat gedaagde,
gelet op de uitspraak van de rechtbank van 20 januari 1998, niet bevoegd
was dat bedrag terug te vorderen.
In zijn brief van 14 juli 1998 heeft gedaagde hierop als volgt
gereageerd:
In antwoord op uw bovenaangehaalde brief (...) volsta ik met u te
verwijzen naar de uitspraak (...). Ik vestig met name uw aandacht op de
passage op blz. 6 van genoemde uitspraak waarin de rechtbank als volgt
oordeelt:
"Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat gedaagde
heeft gehandeld in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk
bestuur door bij het primaire besluit de rijksvergoeding over 1993
nader, nu met inachtneming van de correcte gegevens, vast te
stellen."
Tegen dit schrijven heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18
september 1998 heeft gedaagde dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Gedaagde heeft overwogen dat de brief van 14 juli 1998 een informatieve
mededeling bevat en geen besluit is in de zin van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) en dat tegen deze mededeling dan ook geen bezwaar
mogelijk is.
1.5. In de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
appellant ongegrond verklaard. Zij is van oordeel dat de
standpuntbepaling van een bestuursorgaan ter uitvoering van een
uitspraak van de bestuursrechter weliswaar als een publiekrechtelijke
rechtshandeling kan worden aangemerkt maar dat dit hier niet het geval
is omdat de uitspraak van 20 januari 1998, waarop appellant zijn
geldvordering rechtstreeks heeft gebaseerd, niet strekte tot betaling
van een geldbedrag, anders dan terzake van griffierechten en
proceskosten. De rechtbank was ook overigens met gedaagde van opvatting
dat zijn reactie op appellants verzoek om betaling van het
desbetreffende bedrag geen publiekrechtelijke rechtshandeling inhield en
bijgevolg geen besluit is in de zin van de Awb. Gedaagde heeft het
bezwaar van appellant volgens de rechtbank mitsdien terecht
niet-ontvankelijk verklaard, zij het op naar het oordeel van de
rechtbank ontoereikende, eerst in de loop van de beroepsprocedure
verduidelijkte, gronden, reden waarom gedaagde door de rechtbank in de
proceskosten van appellant is veroordeeld.
2. De Raad overweegt het volgende.
2.1. Gedaagde volstaat in zijn brief van 14 juli 1998 met te verwijzen
naar de in die brief geciteerde passages uit de uitspraak van de
rechtbank van 20 januari 1998. De Raad kan met appellant hieruit geen
andere gevolgtrekking maken dan dat gedaagde daarmee een beslissing
heeft genomen die onmiskenbaar strekt tot weigering het eerder
teruggevorderde bedrag van f 289.800,- aan appellant te betalen.
2.2. Anders dan de rechtbank maar evenals appellant beantwoordt de Raad
de vraag of die beslissing als een besluit in de zin van artikel 1:3 van
de Awb moet worden beschouwd bevestigend. Ingevolge artikel 40, eerste
lid, van de WSW kent het Rijk jaarlijks aan een uitvoerder van die wet
als appellant een vooraf door gedaagde vastgestelde vergoeding toe. Vσσr
1 oktober van het jaar waarop die vergoeding betrekking heeft, dient
gedaagde het bedrag van de vergoeding mee te delen, alsmede het
voorlopig vastgestelde bedrag van de vergoeding voor het daaropvolgende
jaar. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad stelt vast, dat
de WSW geen uitdrukkelijke grondslag biedt voor de bevoegdheid van
gedaagde beslissingen te geven over uitsluitend de betaling van het
bedrag aan vergoeding dat ingevolge artikel 40 van die wet is toegekend.
2.3. Niettemin houdt een beslissing met betrekking tot een betaling als
waarvan hier sprake is zo nauw verband met beslissingen terzake van
aanspraken die hun grondslag vinden in artikel 40 van de WSW dat de
administratieve rechter, in casu de rechtbank, ook met betrekking tot
een zodanige beslissing moet worden beschouwd als de meest aangewezen
rechter om in de rechtsbescherming van justitiabelen te voorzien.
Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het uit een oogpunt van toegang
tot de rechter aanbeveling verdient geschillen omtrent vergoedingen in
het kader van artikel 40 van de WSW en (de weigering van) de betaling
ervan, bij de administratieve rechter geconcentreerd te houden.
2.4. De Raad komt tot de conclusie dat, hoewel daarin in de WSW niet
uitdrukkelijk is voorzien, een beslissing tot weigering van betaling als
vervat in appellants brief van 14 juli 1998 het besluitkarakter niet
dient te worden ontzegd. Het vorenstaande heeft tot gevolg dat gedaagde
ten onrechte appellants bezwaar tegen het besluit van 14 juli 1998
niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat het bestreden besluit voor
vernietiging in aanmerking komt. Ook de aangevallen uitspraak waarbij de
rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit op de in de aangevallen
uitspraak vermelde gronden ongegrond heeft verklaard, komt voor
vernietiging in aanmerking.
2.5. De Raad acht voorts termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant in hoger beroep, welke worden begroot op
644,- aan kosten van rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak behoudens voor zover gedaagde
daarbij is veroordeeld in de proceskosten van appellant;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde opnieuw op het bezwaar beslist;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;
Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in
eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van 496,89
(voorheen f 1.095,-) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr.
T. Hoogenboom en mr. J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van
D. Boers als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 april 2002.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) D. Boers.
|
|