|
Uitspraak
00/3096 WSW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4
mei 2000, nrs. SBR 99/168 + 99/633, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 19 september 2002, waar
appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Th.L.B. van
Ardenne, advocaat te Amersfoort, en J.P.M. Struik, algemeen directeur
van UW Holding B.V.. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr.
H.P.M. Schenkels en J. Zondag, beiden werkzaam bij het Ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
II. MOTIVERING
1. De Raad gaat uit van de volgende, als vaststaand aangenomen,
gegevens.
1.1. Bij besluit van 28 januari 1998 is namens gedaagde aan de gemeente
Utrecht, per adres het bestuur van de UW Bedrijven, de definitieve
subsidie ingevolge de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) voor het jaar
1998 toegekend. Tegen dit besluit heeft appellante een bezwaarschrift
ingediend. Bij het bestreden besluit van 21 december 1998 (besluit 1)
heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard.
1.2. Bij besluit van 1 oktober 1998, gecorrigeerd bij besluit van 23
oktober 1998, heeft gedaagde de subsidie voor het jaar 1999 toegekend.
Ook tegen dit besluit heeft appellante een bezwaarschrift ingediend. Bij
het bestreden besluit van 25 februari 1999 (besluit 2) heeft gedaagde
het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
1.3. Appellante heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld bij
de rechtbank.
1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen
besluit 1 ongegrond verklaard, het beroep tegen besluit 2 gegrond
verklaard, besluit 2 vernietigd en bepaald dat gedaagde een nader
besluit neemt met inachtneming van haar uitspraak. Tevens heeft de
rechtbank bepalingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht.
2. In hoger beroep is de ontvankelijkheid van de door appellante bij
gedaagde gemaakte bezwaren aan de orde. Bij besluit 1 heeft gedaagde
appellante in haar bezwaar over 1998 ontvangen omdat hij, naar ter
zitting is uiteengezet, in de veronderstelling verkeerde te maken te
hebben met een door de gemeente Utrecht aangegane gemeenschappelijke
regeling. Nadat deze veronderstelling onjuist was gebleken, heeft
gedaagde appellante bij besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard in haar
bezwaar over 1999. Daarbij heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld
dat niet appellante maar het gemeentebestuur van Utrecht is aan te
merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb). De Raad overweegt hieromtrent als volgt.
2.1. Uitgangspunt van de Wsw, zoals deze per 1 januari 1998 in werking
is getreden, is dat de gemeente ingezetenen die tot de doelgroep van de
wet behoren in dienst neemt op grond van een arbeidsovereenkomst als
bedoeld in het Burgerlijk Wetboek. In artikel 2, derde lid, van de Wsw
is bepaald dat het gemeentebestuur een rechtspersoon kan aanwijzen ten
behoeve van de uitvoering van deze wet en dat het gemeentebestuur in het
aanwijzingsbesluit de inhoud van de rechtsbetrekking tussen de gemeente
en die rechtspersoon regelt. Ingevolge artikel 8, eerste lid, verstrekt
het Rijk aan de gemeente een subsidie voor de uitvoering van de
voorafgaande hoofdstukken van de wet. In artikel 1, tweede lid, van de
Wsw is nog bepaald dat indien bij een gemeenschappelijke regeling als
bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen de uitvoering van deze
wet volledig is overgedragen aan het bestuur van een openbaar lichaam
als bedoeld in artikel 8 van die Wet, dat bestuur voor de toepassing van
deze wet in de plaats treedt van de betrokken gemeentebesturen.
2.2. Vast staat dat appellante een rechtspersoon naar privaatrecht is en
dat, hoewel appellante niet alleen voor de gemeente Utrecht maar ook
voor omliggende gemeenten werkt, geen sprake is van een
gemeenschappelijke regeling. Op grond van de stukken en het verhandelde
ter zitting moet ervan worden uitgegaan dat de raad van de gemeente
Utrecht appellante met toepassing van artikel 2, derde lid, van de Wsw
heeft aangewezen als rechtspersoon ten behoeve van de uitvoering van
deze wet. Voorts zijn tussen appellante en de gemeente Utrecht in april
1997 en maart 1998 overeenkomsten gesloten die erop neerkomen dat de
gemeente het door het Rijk vastgestelde budget in zijn geheel ter
beschikking stelt van appellante en dat de sociale werkvoorziening door
appellante volledig voor eigen rekening en risico wordt uitgevoerd.
2.3. Afgezien van de mogelijkheid van het instellen van een
gemeenschappelijke regeling, is in de Wsw geen grondslag te vinden voor
een overdracht van de door die wet aan (het bestuur van) de gemeente
toegekende taken en bevoegdheden, anders dan in de vorm van een
aanwijzing op grond van artikel 2, derde lid. Dit artikellid biedt
echter geen basis om appellante rechtstreeks jegens het Rijk in de
positie van subsidieontvanger te plaatsen. Ook anderszins is een
wettelijke grondslag daarvoor niet aan te wijzen.
2.4. De Raad is verder van oordeel dat appellante door het sluiten van
overeenkomsten zoals die van april 1997 en maart 1998 niet - buiten het
stelsel van de Wsw om - kan bewerkstelligen dat haar belang rechtstreeks
bij een besluit omtrent de verlening van de subsidie is betrokken. Die
overeenkomsten binden alleen partijen en kunnen niet toe- of afdoen aan
de in de Wsw aan de gemeente of het gemeentebestuur toegekende rechten
of opgelegde verplichtingen. Veeleer is het belang van appellante, door
middel van de overeenkomsten, afgeleid van het uit de Wsw voortvloeiende
belang van (het bestuur van) de gemeente. Zulk een afgeleid belang is
geen rechtstreeks betrokken belang in de zin van artikel 1:2, eerste
lid, van de Awb.
2.5. Ingevolge artikel 1:2, tweede lid, van de Awb, worden ten aanzien
van bestuursorganen de hun toevertrouwde belangen als hun belangen
beschouwd. Anders dan de rechtbank, vermag de Raad echter niet in te
zien dat appellante een "publiekrechtelijke taak tot uitvoering van
de Wsw" heeft op grond waarvan zij als bestuursorgaan kan worden
aangemerkt. Het hiervóór overwogene brengt met zich mee dat appellante
ter zake van de uitvoering van de Wsw niet met enig openbaar gezag is
bekleed. Ook overigens beantwoordt appellante, voorzover hier van
belang, niet aan de in artikel 1:1 van de Awb neergelegde maatstaven
voor de hoedanigheid van bestuursorgaan, zodat appellante niet in die
hoedanigheid als belanghebbende bij het bestreden besluit kan worden
aangemerkt.
2.6. In artikel 1:2, derde lid, van de Awb, is bepaald dat ten aanzien
van rechtspersonen als hun belangen mede worden beschouwd de algemene en
collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens
hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. Dienaangaande
heeft de rechtbank gewezen op - kort gezegd - de maatschappelijke
doelstelling van appellante in het kader van de sociale werkvoorziening.
De Raad constateert evenwel dat appellante in het onderhavige geval niet
rechtstreeks enig algemeen of collectief (ideëel) belang behartigt,
doch beoogt op te komen voor haar eigen financiële belangen. Het
zojuist genoemde artikellid mist derhalve toepassing.
2.7. Het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat, anders dan de
rechtbank heeft aangenomen, appellante niet is aan te merken als
belanghebbende bij de primaire besluiten omtrent subsidieverlening.
Gelet op artikel 8:1 in samenhang met artikel 7:1 van de Awb stond voor
appellante dus geen bezwaar open.
2.8. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. De
Raad zal het inleidend beroep tegen besluit 1 alsnog gegrond verklaren,
dit besluit vernietigen en, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid,
van de Awb, het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaren. Deze
uitspraak treedt in zoverre in de plaats van het vernietigde besluit.
Het inleidend beroep tegen besluit 2 dient alsnog ongegrond te worden
verklaard. Nu besluit 1 niet in stand blijft, kunnen de door de
rechtbank gegeven bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht van de
vernietiging van de aangevallen uitspraak worden uitgezonderd.
3. De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel
8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot €
644,- aan kosten wegens aan appellante in hoger beroep verleende
rechtsbijstand.
4. Beslist wordt mitsdien als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, met uitzondering van het daarin
bepaalde omtrent proceskosten en griffierecht;
Verklaart het inleidend beroep tegen besluit 1 gegrond en vernietigt dit
besluit;
Verklaart het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 januari
1998 niet-ontvankelijk;
Verklaart het inleidend beroep tegen besluit 2 ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep
tot een bedrag van € 644,- , te betalen door de Staat der Nederlanden;
Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar in
hoger beroep betaalde griffierecht van f 675,- (thans € 306,30)
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr.
A. Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van A.
de Gooijer als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober
2002.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) A. de Gooijer.
|
|