|
Uitspraak
00/3104 WSW, 00/3105 WSW, 00/3106 WSW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Dagelijks Bestuur van het Werkvoorzieningschap in de Provincie
[naam provincie] voor Administratieve Dienstverlening ([groepsnaam]),
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Groningen van 21 april 2000, nrs. AWB 97/1609 WSW, AWB 98/99
WSW en AWB 98/376 WSW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd zijn namens appellant nog inlichtingen verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van 8 augustus 2002, waar namens
appellant is verschenen mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen.
Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. G.E. van der Zee,
advocaat te Winschoten.
II. MOTIVERING
1. De Raad merkt vooreerst op dat ingevolge artikel 17 van de op 1
januari 1998 in werking getreden Wet sociale werkvoorziening (Wet van 11
september 1997, Stb. 446) op de behandeling van dit geding het recht van
toepassing blijft zoals dat vóór de genoemde datum van
inwerkingtreding van die wet gold.
2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang
zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen
uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
2.1. Gedaagde is sinds 1991 in dienst bij de [groepsnaam] en was
laatstelijk werkzaam als tekstverwerker bij de vestiging in Winschoten.
Op 20 december 1996 heeft zich op het werk een ernstig incident
voorgedaan, waarbij gedaagde de assistent-werkleidster plotseling en
zonder aanleiding met een mes heeft bedreigd. Nadat zij door collega's
was ontzet heeft zij aangifte gedaan bij de politie. Aangezien bij
onderzoek bleek dat gedaagde lijdt aan epilepsie en daarmee gepaard
gaand bewustzijnsverlies, dat hij zich niets van het incident kon
herinneren en zich niet bewust was van zijn handelen, is op verzoek van
appellant een medisch onderzoek ingesteld door de neuroloog dr. J.W.
Snoek. Deze kwam tot de conclusie dat het onwaarschijnlijk, maar niet
helemaal uitgesloten is dat de gewelddadige gebeurtenis in december 1996
samenhangt met een epileptische manifestatie; waarschijnlijker achtte
hij het evenwel dat sprake was van een impulsdoorbraak in een
stresssituatie. Hij achtte, uitgaande van een mogelijke epileptische
genese de recidiefkans zeer klein, ook al was de epilepsie nog steeds
niet optimaal gereguleerd, en achtte een psychiatrische expertise
aangewezen.
Omdat verder de geweldsuiting volgens de deskundige redelijkerwijs niet
kon worden toegeschreven aan de medicatie heeft appellant besloten het
dienstverband met gedaagde te beëindigen wegens ernstige misdraging op
grond van artikel 28, tweede lid, aanhef en onder a, (oud) van de Wet
Sociale Werkvoorziening (WSW).
2.2. Na bezwaar van gedaagde tegen dat besluit heeft appellant het
raadzaam geacht gedaagde psychiatrisch te doen onderzoeken, maar
gedaagde heeft medewerking aan een psychiatrisch onderzoek geweigerd.
2.3. Bij besluit van 26 november 1997 heeft appellant het bezwaar van
gedaagde tegen de beëindiging van de dienstbetrekking op voornoemde
grond ongegrond verklaard, maar, voor het geval dit ontslag geen stand
zou houden, bij besluit van gelijke datum de dienstbetrekking met
gedaagde subsidiair met ingang van 25 januari 1998 beëindigd op grond
van artikel 28, tweede lid, aanhef en onder c, van de WSW. Appellant
heeft daarbij overwogen dat gedaagde niet geschikt is voor zijn eigen
functie of een andere functie bij Zodiak, zodat voor gedaagde arbeid in
de zin van de WSW niet langer beschikbaar is, noch op korte termijn
beschikbaar komt. Dit besluit is bij het in geding zijnde besluit van 27
maart 1998 gehandhaafd.
3.1. De rechtbank heeft een psychiatrisch onderzoek gelast. Na
kennisneming van het rapport van de psychiater prof. dr. R.J. van den
Bosch heeft appellant zich nader op het standpunt gesteld dat gedaagde
geen verwijt treft met betrekking tot het incident van 20 december 1996
en heeft gedaagde de primair aan het ontslag ten grondslag gelegde
grond: ernstige misdraging, niet langer gehandhaafd. De rechtbank heeft
het besluit van 26 november 1997 en het daaraan voorafgaande primaire
besluit vervolgens vernietigd.
3.2. De rechtbank heeft het nadere besluit van 27 maart 1998 eveneens
vernietigd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat er weliswaar van
uit dient te worden gegaan dat er als gevolg van de gebeurtenissen op 20
december 1996 sprake is van een zodanige verstoring van de verhoudingen
dat de oorspronkelijke werkzaamheden niet langer passend waren, maar
heeft vastgesteld dat het voor toepassing van artikel 28, tweede lid,
aanhef en onder c, van de WSW vereiste zorgvuldig onderzoek naar de
beschikbaarheid van andere passende werkzaamheden heeft ontbroken.
4. Appellant heeft in hoger beroep en ter zitting van de Raad aangevoerd
dat artikel 28, tweede lid, aanhef en onder c, van de WSW als
ontslaggrond ook kan worden gehanteerd in situaties waarin van de
werkgever niet kan worden verlangd de werknemer aanwezige en objectief
passende werkzaamheden ter beschikking te stellen. Appellant heeft erop
gewezen dat de deskundigen de kans op recidive niet uitsluiten. Op grond
van de voorgeschiedenis staat volgens appellant vast dat gedaagde zich
snel aan dingen ergert, zich gaat verzetten en een dreigende houding
aanneemt, zodat ook in een andere werkomgeving wel degelijk de kans op
recidive bestaat. Volgens appellant was sprake van een zeer ernstig
incident en kan appellant het zich niet veroorloven door overplaatsing
een situatie te creëren waarin een vergelijkbaar incident zich weer kan
voordoen. Daarom is appellant niet toegekomen aan de vraag of er andere
passende werkzaamheden voor gedaagde beschikbaar waren. Ter zitting
heeft de gemachtigde van appellant er nog op gewezen dat een
herplaatsingsonderzoek zou hebben moeten plaatsvinden uiterlijk vóór
de beslissing op bezwaar van 27 maart 1998 en dat appellant door toedoen
van gedaagde toen nog niet beschikte over een psychiatrisch rapport.
Gedaagde beschikte toen slechts over het rapport van de neuroloog, met
de conclusie dat zeer waarschijnlijk sprake was geweest van een
impulsdoorbraak in een stresssituatie. Er kon niet geadviseerd worden
over de recidivekans, omdat gedaagde medewerking weigerde aan een
psychiatrisch onderzoek. Appellant meent dat onder die omstandigheden
niet van hem verwacht kon worden dat hij gedaagde binnen zijn
organisatie zou herplaatsen.
5.1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of appellant in
redelijkheid heeft kunnen besluiten de dienstbetrekking met gedaagde te
beëindigen om reden dat arbeid in de zin van de WSW niet langer
beschikbaar is, noch op korte termijn beschikbaar komt. Naar vaste
jurisprudentie van de Raad - verwezen kan worden naar de uitspraak van
de Raad van 7 januari 1999, JSV 1999/118 - dient als zodanige arbeid te
worden aangemerkt arbeid die niet alleen in objectieve zin voor de
betrokkene passend is, maar waarvan ook met redelijke waarschijnlijkheid
mag worden verwacht dat tewerkstelling daarin tot een bevredigend
resultaat zal leiden.
5.2. De Raad stelt aan de hand van de gedingstukken vast dat reeds in
een functioneringsgesprek van september 1992 is gesignaleerd dat er
regelmatig kleine incidenten zijn geweest en dat gedaagde daarbij soms
erg bedreigend overkomt, waarbij is afgesproken dat hij zal proberen
zichzelf in de hand te houden. In een functioneringsgesprek van 13
september 1994 is opnieuw sprake van escalaties tengevolge van
frustraties, onderlinge ruzies en dergelijke, waarbij wederom is
afgesproken dat gedaagde moet proberen zichzelf meer in de hand te
houden. In oktober 1994 wordt opnieuw gerapporteerd over het dreigend
overkomen van gedaagde tegenover zijn meewerkend voorman, maar ook
tegenover de rest van de afdeling, als gedaagde het ergens niet mee eens
is. Voorts blijkt uit de aangifte van het geweldsincident op 20 december
1996 dat gedaagde het slachtoffer vóór het incident in 1992 al eens
had aangerand, dat gedaagde haar een half jaar later over haar bureau
had getrokken en dat zij erg bang is voor gedaagde. Uit een memo van de
bedrijfsdirecteur van 20 december 1996 komt naar voren dat het aanwezige
personeel die dag naar huis is gestuurd omdat sommige medewerkers erg
aangeslagen waren. De directeur heeft voorgesteld om gedaagde in verband
met de voortdurende dreiging die er van hem uitgaat en het ernstige
incident van die dag niet meer tot het bedrijf toe te laten.
5.3.1. De Raad is van oordeel dat appellant, gegeven de ernst van de
gebeurtenis van 20 december 1996, in het licht van de voorgeschiedenis
en de ten tijde van het primaire besluit beschikbare rapportage van de
neuroloog Snoek, met het oog op de belangen van de overige werknemers,
tot de opvatting heeft kunnen geraken dat gedaagde niet langer
gehandhaafd kon worden binnen het bedrijf en dat eventueel beschikbare
arbeid niet aan gedaagde beschikbaar diende te worden gesteld. Appellant
heeft immers niet alleen rekening te houden met de belangen van
gedaagde, maar evenzeer met die van de andere werknemers en
leidinggevenden, die aanspraak kunnen maken op een veilige werkomgeving.
Appellant heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat hij de andere
werknemers gezien het gebeurde niet langer kon belasten met het voordien
al vaak als bedreigend ervaren gedrag van gedaagde. In die zin heeft
appellant zich terecht op het standpunt kunnen stellen dat hernieuwde
tewerkstelling niet tot een bevredigend resultaat zou leiden.
5.3.2. Het nadien beschikbaar gekomen rapport van de psychiater Van den
Bosch leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Nog afgezien van het
feit dat appellant diens conclusies niet bij zijn besluitvorming heeft
kunnen betrekken is de Raad van oordeel dat de conclusie van de
psychiater dat het (ernstige) incident zich kon voordoen bij het
samenkomen van enerzijds de epilepsie en anderzijds onvrede tegenover
de persoon van het slachtoffer, veeleer steun biedt aan het standpunt
van appellant. Uit hetgeen hiervoor onder 5.2. is overwogen blijkt
immers dat gedaagde snel uit zijn evenwicht raakt als de dingen niet
gaan zoals hij dat wenst of als iemand hem iets in de weg legt.
Aangezien onder voormelde omstandigheden een zorgvuldig onderzoek naar
andere passende werkzaamheden op voorhand zinloos kan worden geacht was
appellant in het onderhavige geval ook zonder zorgvuldig
herplaatsingsonderzoek bevoegd om gedaagde met toepassing van artikel
28, tweede lid, aanhef en onder c, van de WSW te ontslaan. De Raad is
overigens uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, niet gebleken
van omstandigheden op grond waarvan appellant niet in redelijkheid van
zijn ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
5.4. Het vorenstaande leidt er toe dat de aangevallen uitspraak niet in
stand kan blijven en dient te worden vernietigd en dat het inleidend
beroep van gedaagde alsnog ongegrond moet worden verklaard.
5.5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
6. Beslist is als hierna vermeld.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. G.P.A.M.
Garvelink-Jonkers en mr. A. Beuker-Tilstra als leden, in
tegenwoordigheid van D. Boers als griffier, en in het openbaar
uitgesproken op 12 september 2002.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) D. Boers.
|
|