|
Uitspraak
00/382 WSW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Algemeen Bestuur van de Dienst Werkbedrijf voor gesubsidieerde
arbeid, activering en trajecten [naam Dienst], gevestigd te
[vestigingsplaats], appellant,
en
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 13
december 1999, nr. 99/152 WSW VI, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 19 september 2002, waar voor
appellant is verschenen [naam directiesecretaris], directiesecretaris
bij appellants werkbedrijf, en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. H.P.M. Schenkels en J. Zondag, beiden
werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
II. MOTIVERING
1.1. De Raad merkt vooreerst op dat ingevolge artikel 17 van de op 1
januari 1998 in werking getreden Wet sociale werkvoorziening (wet van 11
september 1997, Stb. 465) op de behandeling van dit geding van
toepassing blijft het recht zoals dat voor de datum van inwerkingtreding
van deze wet gold.
1.2. Op 1 maart 1996 is de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij
ziekte (Wulbz) in werking getreden. In verband hiermee werden de
ziekengeldkassen opgeheven en zijn de reserves en de verplichtingen uit
hoofde van de Ziektewet overgegaan naar de wachtgeldfondsen. Daarbij
kwamen de kosten van lopende Ziektewetuitkeringen op het moment van
inwerkingtreding van de Wulbz, de zogeheten slotverplichtingen, ten
laste van de wachtgeldfondsen. Op grond van het Besluit reservevorming
slotverplichtingen ziekengeldverzekering (Stcrt. 1996, 16) dienden op de
dag voorafgaande aan die van de inwerkingtreding van de Wulbz de
normreserves van het wachtgeldfonds voldoende te zijn om de
slotverplichtingen te dekken. Als gevolg hiervan was de toenmalige
Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten (hierna: BV Overheid)
genoodzaakt de afrekenpremies 1995 en 1996 zodanig vast te stellen dat
aan de voorgeschreven reservepositie werd voldaan. De BV Overheid heeft
daartoe aan de betrokken werkgevers, onder wie de bestuurlijke eenheden
belast met de uitvoering van de Sociale Werkvoorziening, een naheffing
Ziektewetpremie opgelegd. De totale omvang van deze naheffing bedroeg
ongeveer 43 miljoen gulden.
1.3. Bij brief van 17 juni 1997 is appellant in kennis gesteld van
gedaagdes voornemen hem een vergoeding toe te kennen voor deze naheffing
Ziektewetpremie. Daarbij werd meegedeeld dat het Kabinet extra middelen
voor de compensatie van de slotverplichting Ziektewet WSW ter
beschikking had gesteld, op grond waarvan de voorgenomen vergoeding zou
kunnen plaatsvinden. De vergoeding van de naheffing zou ambtshalve
worden toegekend op grond van artikel 41, vijfde lid, van de Wet Sociale
Werkvoorziening, hierna te noemen WSW (oud), en op basis van door de BV
Overheid verstrekte gegevens over de (individuele) naheffing per
bestuurlijke eenheid. Volgens de bij deze brief behorende bijlage
bedroeg de voorgenomen tegemoetkoming naheffing Ziektewetpremie in het
geval van appellant f 272.775,- (€ 123.780,46) welk bedrag zou worden
toegerekend aan het WSW-budget 1997.
1.4. Bij besluit van 11 juli 1997 heeft gedaagde overeenkomstig zijn
voornemen het budget van appellant voor de uitvoering van de WSW over
het jaar 1997 met toepassing van artikel 41, vijfde lid, van de WSW
verhoogd met een bedrag van f 272.775,- (€ 123.780,46) als
"aanvulling budget Wulbz".
1.5. Bij primair besluit van 28 juli 1998 heeft de directeur
Arbeidsmarkt van gedaagdes ministerie appellant meegedeeld dat uit
nadere gegevens van Gak Nederland BV naar voren was gekomen dat het
eerder verstrekte gegeven voor appellants werkbedrijf onjuist was
gebleken en dat appellants organisatie - die sedert 1 januari 1995 eigen
risicodrager was in het kader van de Ziektewet - destijds geen nota met
een naheffing Ziektewetpremie had ontvangen. Dit betekende dat de grond
tot de toekenning van de compensatie Wulbz was komen te vervallen en dat
de vergoeding onverschuldigd was betaald. De eerder toegekende
vergoeding van fl. 272.775,- (€ 123.780,46) zou worden verrekend.
1.6. Bij het bestreden besluit van 22 december 1998 heeft gedaagde
appellants bezwaren tegen dat besluit, behoudens voor wat betreft de
onbevoegde ondertekening door de directeur Arbeidsmarkt, ongegrond
verklaard. Daarbij heeft gedaagde aangegeven dat het besluit door de
directeur Arbeidsmarkt namens gedaagde had moeten worden genomen en
ondertekend.
1.7. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van
appellant tegen het besluit van 22 december 1998 ongegrond verklaard.
1.8. In hoger beroep stelt appellant zich primair op het standpunt dat
gedaagde niet bevoegd was tot terugvordering over te gaan, omdat aan dat
besluit geen besluit tot herziening of intrekking van de vergoeding ten
grondslag ligt. Subsidiair is appellant van opvatting dat artikel 44 van
de WSW (oud) aan terugvordering in de weg staat en dat overigens
terugvordering in strijd is met diverse algemene beginselen van
behoorlijk bestuur.
2. De Raad overweegt het volgende.
2.1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting staat
voor de Raad vast dat gedaagdes toekenningsbesluit van 11 juli 1997
berust op een fout. Appellant was immers sedert 1 januari 1995 eigen
risicodrager voor de Ziektewet en heeft om die reden van de BV Overheid
geen naheffing Ziektewetpremie in het kader van de Wulbz ontvangen.
Appellant heeft ook erkend een dergelijke naheffing niet te hebben
ontvangen. Aangezien gedaagde de compensatievergoeding uitsluitend had
bedoeld voor bestuurlijke eenheden die zich wél zagen geconfronteerd
met een naheffing Ziektewetpremie in het kader van de Wulbz, bestond er
geen grond voor een compensatievergoeding aan appellant. De Raad stelt
daarom vast dat gedaagde de toegekende vergoeding ad
f 272.775,- (€ 123.780,46) onverschuldigd aan appellant heeft betaald.
2.2. De Raad kan appellant niet volgen in zijn standpunt dat gedaagde
niet bevoegd was tot terugvordering over te gaan, omdat aan het besluit
tot terugvordering geen besluit tot herziening of intrekking ten
grondslag lag. Het primaire besluit van 28 juli 1998 strekt onmiskenbaar
mede tot intrekking van de aan appellant verleende
compensatievergoeding. In dat besluit wordt immers uitdrukkelijk
overwogen dat appellants organisatie destijds geen nota met een
naheffing van de Ziektewet had ontvangen en dat daarom de grond tot
toekenning van de compensatie Wulbz was komen te vervallen.
2.3. De Raad deelt evenmin het standpunt van appellant dat artikel 44
van de WSW (oud), waarin niet in een geval als het onderhavige is
voorzien, aan de bevoegdheid tot terugvordering in de weg staat. Naar
het oordeel van de Raad kan uit de tekst van die bepaling noch uit de
wetsgeschiedenis worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd om in
geval van een kennelijke fout of vergissing, terugvordering van
onterecht aan een bestuurlijke eenheid gedane toekenningen onmogelijk te
maken. Zo'n onjuiste toekenning bij de verstrekking van het budget moet
worden onderscheiden van de gebreken in de sfeer van de uitvoering van
de Sociale Werkvoorziening waarop artikel 44 het oog heeft.
2.4. Gedaagde was derhalve bevoegd tot terugvordering van het
onverschuldigd aan appellant betaalde bedrag van f 272.775,- (€
123.780,46).
2.5. De Raad heeft in hetgeen door appellant is aangevoerd geen grond
kunnen vinden voor het oordeel dat gedaagde niet in redelijkheid heeft
kunnen komen tot (volledige) terugvordering van het onverschuldigd
betaalde bedrag dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met
het geschreven of ongeschreven recht. Dienaangaande overweegt de Raad
dat hem niet is gebleken dat van de zijde van gedaagde toezeggingen
en/of mededelingen zijn gedaan waaraan appellant het gerechtvaardigde
vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat hij wel aanspraak op bedoelde
compensatievergoeding kon maken. Hetgeen aan appellant is meegedeeld in
de brieven van 17 juni 1997 en 11 juni 1997 laat geen ruimte voor
misverstand over het doel van de compensatie en daarmee over de groep
waarvoor de compensatie was bestemd. Tot die groep behoorde appellant
duidelijk niet. Appellants beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt
evenmin. Naar het oordeel van de Raad verschilt de positie van appellant
als eigen risicodrager, wezenlijk van die van bestuurlijke eenheden die
zich wel met een naheffing van Ziektewetpremie zagen geconfronteerd. Dat
appellant bij de voorbereiding van het primaire besluit niet door
gedaagde is gehoord, kan tenslotte - wat er zij van de vraag of gedaagde
daartoe rechtens verplicht was - niet tot vernietiging leiden nu
appellant in bezwaar alsnog is gehoord en niet is gebleken dat hij door
deze handelwijze in enig belang is geschaad.
3. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
4. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr.
A. Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van A.
de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 oktober
2002.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) A. de Gooijer.
|
|