|
Uitspraak
00/5006 WSW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het dagelijks bestuur van het Regionaal Sociaal Werkvoorzieningschap
Amersfoort en omgeving (RWA), appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift, met
bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak
van de rechtbank Utrecht van 30 augustus 2000, nr. SBR 98/1603, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 17 oktober 2002, waar appellant
zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.E.T. Schellekens,
concerndirecteur sociale zaken van het RWA, bijgestaan door mr. M.J.
Aantjes, advocaat te Amersfoort. Gedaagde is in persoon verschenen,
bijgestaan door mr. L.A.A. Ongenae, advocaat te Zoetermeer.
II. MOTIVERING
1. De Raad merkt vooreerst op dat ingevolge artikel 17 van de op 1
januari 1998 in werking getreden Wet sociale werkvoorziening (Wet van 11
september 1997, Stb. 446) op de behandeling van dit geding het recht van
toepassing blijft zoals dat vóór de genoemde datum van
inwerkingtreding van die wet gold.
2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang
zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen
uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
2.1. Gedaagde is in verband met door een verkeersongeval ontstaan
hersenletsel in 1979 toegelaten tot de personenkring van de Wet Sociale
Werkvoorziening (WSW) en in voltijds dienstverband gaan werken bij het
RWA. Volgens het (ongedateerde) door I. Zupan opgemaakte overzicht van
de loopbaan en het ziekteverzuim, heeft gedaagde zich op 14 maart 1994
ziek gemeld en heeft hij in het daarop volgende jaar deels zijn werk
volledig verzuimd, deels halve dagen gewerkt en deels twee uur per dag
verzuimd. In maart 1995 is de omvang van het dienstverband teruggebracht
tot 30 uren per week. Na een korte periode van ziekte in verband met
griep is gedaagde op 24 april 1995 ziek geworden tengevolge van een
hersenvliesontsteking. Op 23 oktober 1995 is hij op basis van
arbeidstherapie voor vier uren per dag gaan werken. Op 31 januari 1996
is gedaagde opnieuw volledig uitgevallen in verband met een epileptisch
insult. Ingaande 7 augustus 1996 is hij wederom bij wijze van proef voor
vier uren per dag gaan werken, waarna hij op 26 oktober 1996 vanwege
appellant naar huis is gestuurd. Op 28 november 1996 is in een
evaluatiegesprek vastgesteld dat gedaagde te matig functioneert om
arbeidsgeschikt verklaard te worden. In genoemde notitie wordt
dienaangaande geconcludeerd dat er geen sprake (meer) is van vermogen om
loonvormende arbeid te verrichten en dat gedaagde aangewezen is op een
ander soort dagbesteding, die evenwel niet voorhanden is.
2.2. Bij besluit van 26 maart 1997, na bezwaar gehandhaafd bij het in
geding zijnde besluit van 26 juni 1998, is de dienstbetrekking met
gedaagde met ingang van 1 april 1997 beëindigd op grond van artikel 28,
eerste lid, aanhef en onder a, van de WSW: onafgebroken verzuim
gedurende 12 maanden wegens arbeidsongeschiktheid.
2.3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van
gedaagde gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd met
bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft
daartoe in hoofdzaak overwogen dat niet reeds uit het ononderbroken
genieten van ZW- en WAO-uitkeringen gedurende twaalf maanden achtereen,
verzuim wegens arbeidsongeschiktheid kan worden afgeleid. Het orgaan
dient zich een eigen inzicht te verschaffen over de medische gronden die
het ontslag moeten dragen, zeker als de betrokkene gedurende die periode
een toenemend aantal uren per dag heeft gewerkt, zodat niet zonder meer
van verzuim kan worden gesproken. Naar het oordeel van de rechtbank is
niet gebleken dat de beslissing van appellant om op 25 oktober 1996 de
reïntegratiepogingen van gedaagde te staken, berust op het medisch
inzicht dat enig(e) ziekte of gebrek gedaagde ongeschikt maakt voor
WSW-arbeid, terwijl in de opvatting dat gedaagde niet goed functioneerde
geen grond kan worden gevonden voor toepassing van de ontslaggrond als
bedoeld in artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de WSW.
3. Ter beoordeling staat of de Raad de rechtbank kan volgen in haar
oordeel over het bestreden besluit.
3.1. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Evenals de rechtbank
stelt ook de Raad voorop dat voor de toepassing van de WSW verzuim
wegens arbeidsongeschiktheid niet kan worden afgeleid uit het
ononderbroken genieten van ZW-en WAO-uitkeringen. Voorts is ook de Raad,
in het licht van het imperatief gestelde artikel 28, eerste lid, aanhef
en onder a, in verbinding met artikel 29 van de WSW van oordeel, dat
onvoldoende gebleken is dat de ontslaggrond van eerstgenoemd
artikelonderdeel zich in het voorliggende geval voordoet en dat er bij
gedaagde sprake is geweest van ononderbroken verzuim gedurende 52 weken
wegens arbeidsongeschiktheid.
3.2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben
aangevoerd overweegt de Raad nog het volgende.
3.2.1. De Raad merkt op dat appellant wisselende standpunten heeft
ingenomen over de aanvang van de periode van 52 weken onafgebroken
verzuim. Indien die aanvraag wordt gesteld op 24 april 1995 toen
gedaagde op medische gronden uitviel in verband met
hersenvliesontsteking, zoals in het beroepschrift is aangevoerd, stelt
de Raad - nog afgezien van de betekenis van het imperatief gestelde
artikel 29 van de WSW - vast, dat appellant tussen 23 oktober 1995 en 31
januari 1996 niet (geheel) heeft verzuimd, maar gedurende 4 uren per dag
op basis van arbeidstherapie heeft gewerkt. Ook als zou worden uitgegaan
van de periode van 52 weken voorafgaand aan het ontslagbesluit van 26
maart 1997, geldt dat geen sprake was van een periode van 52 weken
ononderbroken arbeidsongeschiktheid. Immers gedaagde heeft tussen 7
augustus 1996 en 26 oktober 1996 eveneens voor 4 uren per dag op basis
van arbeidstherapie gewerkt en heeft op 26 oktober 1996 niet zelf die werkzaamheden wegens arbeidsongeschiktheid
gestaakt, maar is naar huis gestuurd. Dat hij in die periode (medisch
gesproken) zo ziek was dat hij om medische redenen niet tot het
verrichten van zijn werkzaamheden kon worden toegelaten is uit de
gedingstukken niet gebleken. Dat hij minder goed functioneerde kan niet
met verzuim wegens arbeidsongeschiktheid wegens ziekte op één lijn
worden gesteld, nog daargelaten dat de gedingstukken onvoldoende
aantonen dat zulks te maken had met een verergering van gedaagdes
handicap.
3.3. De Raad vindt voor zijn oordeel dat geen sprake is geweest van 52
weken ononderbroken verzuim steun in de eerdergenoemde ongedateerde
rapportage van I. Zupan. In die rapportage is immers vermeld dat
gedaagde in de proefperiode van 7 augustus 1996 tot 26 oktober 1996
heeft bewezen dat hij wel in staat is geweest om aanwezig te zijn. Dat
hij niet tot regelmatige arbeid in staat zou zijn geweest en dat aan
gedaagde is meegedeeld dat hij te matig functioneerde om arbeidsgeschikt
verklaard te worden, kan onder die omstandigheden voor de toepassing van
artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de WSW niet met verzuim
in de zin van dat artikelonderdeel op één lijn worden gesteld. De
rapportage van I. Zupan wijst veeleer in de richting van de
discretionaire ontslagbevoegdheid als genoemd in artikel 28, tweede
lid, aanhef en onder d, van de WSW.
3.4. De schriftelijke verklaring van 19 april 1999 van de bedrijfsarts
C.A. Le Duc brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Ook uit die
verklaring blijkt niet dat gedaagde wegens arbeidsongeschiktheid zijn
werk gedurende 52 weken heeft verzuimd, maar houdt qua strekking vooral
in dat het functioneren van gedaagde in het najaar van 1996 onder het
voor de sociale werkvoorziening vereiste minimumniveau was gezakt.
4.1. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet
kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De
Raad voegt daaraan toe dat waar het hier gaat om feilen die eveneens aan
het primaire besluit tot ontslagverlening kleefden en die naar hun aard
niet in een alsnog te nemen nieuw besluit op bezwaar kunnen worden
hersteld, ook het primaire besluit van 26 maart 1997 voor vernietiging
in aanmerking komt.
4.2. Voorts zal de Raad appellant met toepassing van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht veroordelen in de proceskosten van gedaagde
in hoger beroep ten bedrage van € 644,- voor kosten van beroepsmatig
verleende rechtsbijstand en € 39,12 voor reiskosten.
5. Beslist is als hierna vermeld.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Vernietigt het besluit van 26 maart 1997;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
ten bedrage van € 683,12, te betalen door het Regionaal Sociaal
Werkvoorzieningschap Amersfoort en omgeving;
Bepaalt dat van voornoemd werkvoorzieningschap een griffierecht van €
327,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr.
J.H. van Kreveld en mr. W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid
van A. de Gooijer als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28
november 2002.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) A. de Gooijer.
|
|