|
Uitspraak
01/3750 WSW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het Dagelijks Bestuur van het Werkvoorzieningschap Weert en Omstreken de
Risse, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Roermond van 22 mei 2001, nr. 00/1060 WSW K1, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 20 februari 2003. Gedaagde heeft
zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.J. Paes, werkzaam bij het
werkvoorzieningschap. Zoals aangekondigd zijn appellante noch haar
raadsvrouwe ter zitting verschenen.
II. MOTIVERING
1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang
zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen
uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.2. Appellante, sedert 1996 bekend met rugklachten en in het genot van
een volledige uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, heeft zich tot gedaagde gewend met
het verzoek te worden toegelaten tot de kring van personen werkzaam bij
het werkvoorzieningschap. Op dit verzoek is afwijzend gereageerd bij
besluit van 22 juni 2000, welk besluit na bezwaar is gehandhaafd bij
besluit van 12 oktober 2000.
1.3. De rechtbank heeft het tegen dit laatste besluit ingestelde beroep
bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
2. In hoger beroep heeft appellante haar in eerste aanleg ingenomen
standpunten herhaald, namelijk dat zij gelet op haar klachten wel
degelijk behoort tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening,
dat haar beperkingen door de indicatiearts zijn onderschat en dat in de
praktijk ook de arbeidsdeskundige van Argonaut er niet in is geslaagd
voor haar een passende functie op de gewone arbeidsmarkt te vinden.
3. De Raad sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank en de
overwegingen die haar tot dat oordeel hebben geleid. Nu in hoger beroep
geen andere argumenten naar voren zijn gebracht dan in eerste aanleg is
geschied, ziet de Raad aanleiding naar de aangevallen uitspraak te
verwijzen. Voor wat betreft de opmerking in het aanvullend hoger
beroepschrift over de rapporten van de arbeidsdeskundige die er niet in
is geslaagd appellante te bemiddelen naar passend werk, overweegt de
Raad in navolging van de rechtbank dat dit gegeven onvoldoende grondslag
biedt voor de conclusie dat appellante niet in een normale - binnen
redelijke grenzen aangepaste - arbeidsomgeving zou kunnen werken.
4. De aangevallen uitspraak kan derhalve in stand blijven. De Raad acht
geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. K.
Zeilemaker en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W.
Loots als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2003.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) P.J.W. Loots.
|
|