|
Uitspraak
01/4893 WSW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Dagelijks Bestuur van Integrale Bedrijven Noordoost-Brabant als
rechtsopvolger van de Bestuurscommissie Werkvoorziening
Brabant-Noordoost, appellant,
en
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
's-Hertogenbosch van 20 juli 2001, nr. AWB 01/96, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 13 maart 2003, waar appellant
niet is verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.
H.P.M. Schenkels, werkzaam bij gedaagdes ministerie.
II. MOTIVERING
1. De Raad merkt vooreerst op dat ingevolge artikel 17 van de op 1
januari 1998 in werking getreden Wet sociale werkvoorziening (wet van 11
september 1997, Stb. 466) op de behandeling van dit geding het recht van
toepassing blijft zoals dat ingevolge de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW)
vóór de datum van inwerkingtreding van eerstgenoemde wet gold.
2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de
Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2.1. Artikel 40 van de WSW bepaalt dat het Rijk jaarlijks aan de
gemeente een vergoeding toekent voor door de gemeente te maken kosten
terzake van de uitvoering van de WSW. Ingevolge artikel 42a van de WSW
worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regelen of nadere
regelen gesteld inzake het al dan niet als kosten ter uitvoering van de
WSW in aanmerking nemen van baten en lasten van de exploitatierekening.
2.2. De regeling ter uitvoering van artikel 42a van de WSW bepaalde tot
1 januari 1989 dat kosten van algemeen beheer
- waartoe expliciet ook de kosten van het bestuurlijk contact met
gedaagde en de financiële afwikkeling met het Rijk werden gerekend -
niet als last van de exploitatierekening in aanmerking werden genomen.
Deze regeling (hierna: oude regeling) is per 1 januari 1989 vervangen
door het Besluit lasten sociale werkvoorziening (hierna: het Besluit).
Volgens artikel 2 van het Besluit worden onder andere de volgende lasten
van de exploitatierekening niet als kosten ter uitvoering van de WSW
aangemerkt;
- kosten die worden doorberekend door niet tot de uitvoering van de wet
behorende onderdelen van het gemeentelijk apparaat (onderdeel e);
- overige lasten voorzover deze naar hun aard niet op de
exploitatierekening thuishoren (onderdeel g).
2.3. Bij de vaststelling van de rijkssubsidie over het dienstjaar 1992
is tussen gedaagde en appellant een geschil ontstaan over de
vergoedingen die het schap voor het uitlenen van zijn werknemers van de
inlenende organisaties had bedongen. Gedaagde achtte die vergoedingen te
laag, waarop de directie van het toenmalige Werkvoorzieningschap
Brabant-Noordoost de bijstand van een advocaat heeft ingeroepen.
Appellant heeft de kosten ad f 35.947,- van die rechtskundige bijstand
vervolgens in de exploitatierekening over 1992 verwerkt.
2.4. Bij besluit van 1 maart 1995, zoals na bezwaar gehandhaafd bij
besluit van 27 juli 1995, heeft gedaagde te kennen gegeven dat deze
advocaatkosten moesten worden beschouwd als kosten van beheer en bestuur
en derhalve op grond van artikel 2, aanhef en onder e, van het Besluit
geen kosten van de uitvoering van de WSW vormden.
2.5. Bij uitspraak van 26 oktober 2000 heeft de Raad het besluit van 27
juli 1995 vernietigd en gedaagde opgedragen opnieuw op het bezwaar te
beslissen. De Raad oordeelde dat gedaagde niet op grond van artikel 2,
aanhef en onder e, van het Besluit heeft kunnen weigeren de in geding
zijnde advocaatkosten als kosten van uitvoering van de WSW aan te
merken, nu die bepaling blijkens haar duidelijke tekst uitsluitend ziet
op doorberekening van kosten die door een onderdeel van het gemeentelijk
apparaat zijn gemaakt en kosten van een advocaat niet zodanige kosten
zijn.
2.6. Bij het bestreden besluit van 12 december 2000 is het bezwaar
wederom ongegrond verklaard, thans op grond van artikel 2, aanhef en
onder g, van het Besluit. In het bestreden besluit is overwogen:
- alleen kosten die samenhangen met de aanwijzing en uitvoering van
werkverbanden en werkobjecten, en dus samenhangen met het realiseren van
de in artikel 7 van de WSW neergelegde doelstelling, zijn kosten ter
uitvoering van de wet;
- de onderhavige advocaatkosten zijn gemaakt in verband met de
afwikkeling van de rijkssubsidie en hangen daarom niet direct met
bedoelde aanwijzing en uitvoering samen;
- als de advocaat was ingeschakeld terzake van de uitvoering van
werkobjecten in het kader van artikel 7 van de WSW, bijvoorbeeld in
verband met problemen met opdrachtgevers, waren de kosten wel een
relevante exploitatielast geweest.
3. Het beroep tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen
uitspraak ongegrond verklaard.
4.1. In hoger beroep voert appellant allereerst aan dat de rechtbank ten
onrechte heeft geoordeeld dat alleen kosten gemaakt in het kader van het
"actuele" bedrijfsproces uit het rijksbudget betaald mogen
worden en dat kosten die voortvloeien uit de beoordeling van geschillen
per definitie niet tot de bedrijfskosten worden gerekend.
4.2. Vervolgens voert appellant aan dat, nu het expliciete voorschrift
in de oude regeling dat de kosten van bestuurlijk contact tussen
gedaagde en het gemeentebestuur niet als last op de exploitatierekening
mochten worden opgenomen niet in het Besluit is overgenomen, de kosten
van bestuurlijk contact vanaf 1 januari 1989 wel op de
exploitatierekening mogen worden opgenomen.
4.2.1. De Raad overweegt dat gegeven de grondslag van het bestreden
besluit de vraag moet worden beantwoord of gedaagde op goede gronden
heeft geweigerd de in geding zijnde kosten te vergoeden, om reden dat ze
niet kunnen worden aangemerkt als kosten ter uitvoering van de wet omdat
die kosten naar hun aard niet op de exploitatierekening van het
werkverband thuishoren. Evenals de rechtbank en gedaagde beantwoordt de
Raad die vraag bevestigend.
4.2.2. Artikel 40 van de WSW geeft aanspraak op vergoeding voor door de
gemeente ter uitvoering van de WSW te maken kosten. De wettelijke
uitvoeringstaak die ingevolge artikel 7 op de gemeente rust, omvat
blijkens artikel 10 het aanwijzen van werkverbanden en het uitvoeren
door die werkverbanden van werkobjecten. Het voeren van overleg door de
gemeente ter verkrijging van de aan haar toe te kennen rijkssubsidie
valt daar niet onder. De kosten van dat overleg en de kosten van in
verband daarmee door de gemeente ingeschakelde deskundigen horen naar
hun aard evenmin op de exploitatierekening van het werkverband thuis,
zodat de in 4.2.1. gestelde vraag bevestigend moet worden beantwoord.
4.2.3. Er is geen grond die vraag ondanks het in 4.2.2. overwogene
anders te beantwoorden op de enkele grond, dat het Besluit, anders dan
de oude regeling, niet specifiek en met zoveel woorden bepaalt dat de
kosten van bestuurlijk contact geen kosten ter uitvoering van de WSW
zijn. Ook het advies van de Raad van de gemeentefinanciën waarop
appellant zich beroept, kan niet tot een ander oordeel leiden.
4.3. Het bestreden besluit houdt derhalve stand.
5. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. De Raad ziet geen grond
voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht en beslist daarom als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr.
J.H. van Kreveld en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in
tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 24 april 2003.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) P.W.J. Hospel.
|
|