|
Uitspraak
00/4300 WSW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Dagelijks Bestuur van het Werkvoorzieningschap "[naam
werkvoorzieningschap]", appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 10
juli 2000, nr. AWB 99/1136 WSW V04, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Appellant heeft op verzoek van de Raad een nader stuk ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 22 mei 2003, waar appellant zich
heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.J. Schaap, werkzaam bij CAPRA.
Gedaagde is niet ter zitting verschenen.
II. MOTIVERING
1. De Raad gaat uit van de volgende, als vaststaand aangenomen,
gegevens.
1.1. Gedaagde stond op de wachtlijst om in aanmerking te komen voor een
dienstbetrekking in het kader van de sociale werkvoorziening. Bij
besluit van 6 augustus 1999, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden
besluit van 21 oktober 1999, heeft appellant gedaagde meegedeeld haar
niet te kunnen rekenen tot de doelgroep van de sociale werkvoorziening.
Dit betekent dat gedaagde van de wachtlijst werd afgevoerd.
1.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
gedaagde gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en
bepalingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht. De rechtbank
was van oordeel dat appellant niet bevoegd is tot het nemen van
indicatiebeschikkingen als bedoeld in artikel 11 van de Wet sociale
werkvoorziening (Wsw), waarbij wordt bepaald of de betrokkene al dan
niet behoort tot de doelgroep van de sociale werkvoorziening. Daartoe
heeft de rechtbank overwogen dat de bevoegdheid tot vaststelling van de
indicatie ingevolge de Wsw aan het gemeentebestuur toekomt en dat het
uitdrukkelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest dat de
bevoegdheid komt te berusten bij het schap. In dit verband heeft de
rechtbank vooral gewezen op artikel 5, tweede lid, van het Besluit
indicatie sociale werkvoorziening (Bisw), waarin is bepaald dat het
gemeentebestuur uitsluitend aan een gemeenteambtenaar mandaat kan
verlenen tot het nemen van een besluit waarbij de indicatie wordt
vastgesteld.
2. Appellant bestrijdt in hoger beroep dat de onderhavige
indicatiebeschikking onbevoegdelijk is genomen. De Raad overweegt
hieromtrent als volgt.
2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke
regelingen (Wgr) kan bij gemeenschappelijke regeling een openbaar
lichaam worden ingesteld. In artikel 10, tweede lid, van de Wgr is, voor
zover hier van belang, bepaald dat de regeling aangeeft welke
bevoegdheden de besturen van de deelnemende gemeenten aan het bestuur
van het openbaar lichaam overdragen.
2.2. Het Werkvoorzieningschap "[naam werkvoorzieningschap]",
gevestigd te [vestigingsplaats], is een openbaar lichaam in de zin van
de Wgr. Ingevolge de artikelen 3 en 4 van de ten tijde hier van belang
van toepassing zijnde Gemeenschappelijke Regeling Werkvoorzieningschap
"[naam werkvoorzieningschap]", in onderlinge samenhang
bezien, hebben de deelnemende gemeentebesturen, behoudens een hier niet
aan de orde zijnde uitzondering, aan het Werkvoorzieningschap alle
bevoegdheden overgedragen ter uitvoering van (thans) de Wsw, alsmede tot
het beheren, exploiteren en in stand houden van de werkverbanden. Deze
toekenning van alle bevoegdheden aan het Werkvoorzieningschap is niet
aan te merken als mandaatverlening, maar als een overdracht van
bevoegdheden met toepassing van artikel 10, tweede lid, van de Wgr, uit
hoofde waarvan het betrokken bestuursorgaan van het openbaar lichaam (in
dit geval het Dagelijks Bestuur, dus appellant) in de plaats treedt van
de betrokken bestuursorganen van de deelnemende gemeenten (in dit geval
de Colleges van burgemeester en wethouders). Naar het oordeel van de
Raad moet deze overdracht sedert de inwerkingtreding van de Wsw worden
geacht mede de bevoegdheid tot het nemen van indicatiebeschikkingen te
omvatten.
2.3. In de bewoordingen noch in de geschiedenis van de totstandkoming of
het stelsel van de Wsw heeft de Raad enig aanknopingspunt kunnen vinden
voor het oordeel dat de wet, dan wel de aard van de bevoegdheid, eraan
in de weg staat dat (ook) de bevoegdheid tot het nemen van
indicatiebeschikkingen met toepassing van de Wgr aan het bestuur van het
openbaar lichaam van een gemeenschappelijke regeling wordt overgedragen.
De Raad concludeert derhalve dat deze bevoegdheid rechtens aan appellant
toekomt.
2.4. Artikel 5, tweede lid, van het Bisw, waarop de rechtbank heeft
gewezen, ziet niet op de vraag of het gemeentebestuur dan wel het
bestuur van het openbaar lichaam bevoegd is, maar op de vraag in
hoeverre het bevoegde bestuursorgaan het nemen van
indicatiebeschikkingen in mandaat - dus met behoud van zijn
verantwoordelijkheid - aan anderen mag overlaten. Het hoger beroep treft
dus doel.
3. De Raad is evenwel van oordeel dat het bestreden besluit om andere
redenen niet in stand kan blijven en overweegt daartoe als volgt.
3.1. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op
grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.
Naar vaste jurisprudentie dient het daarbij te gaan om een volledige
heroverweging binnen het kader van het bezwaar. In een geval als het
onderhavige, waarin de primaire beslissing steunt op het advies van de
door de Wsw voorgeschreven indicatiecommissie en de juistheid van dit
advies in bezwaar wordt bestreden, brengt een volledige heroverweging
met zich dat het bestuursorgaan zich er - evenals bij het nemen van de primaire indicatiebeschikking - van
vergewist dat het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming geen
zodanige gebreken vertoont dat het niet aan de besluitvorming ten
grondslag had mogen worden gelegd.
3.2. Naar de gemachtigde van appellant ter zitting heeft erkend, schiet
de bestreden beslissing op bezwaar op dit punt tekort. Appellant heeft
dit besluit geheel doen steunen op het advies van de Adviescommissie
voor de bezwaarschriften. Deze commissie heeft zich bij haar advisering
echter uitdrukkelijk beperkt tot de vraag of bij het nemen van de
indicatiebeschikking de procedure goed is verlopen en niet of die
beschikking ook overigens in rechte stand kan houden gezien hetgeen
gedaagde daartegen heeft aangevoerd. Aldus berust het bestreden besluit
niet op een volledige heroverweging zoals hiervσσr aangegeven en is
het genomen in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb.
3.3. Ter ondersteuning van haar bezwaar heeft gedaagde aangevoerd dat
zij met de arts van de indicatiecommissie slechts ιιn gesprek heeft
gevoerd en dat een objectief lichamelijk onderzoek ten onrechte
achterwege is gebleven. Onder overlegging van een medisch advies van de
Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Oost-Groningen van 14 november
1990, waaruit naar voren komt dat zij beperkingen heeft die haar slechts
geschikt doen zijn voor zeer lichte tot lichte werkzaamheden, heeft zij
betoogd dat haar klachten sedertdien verergerd zijn en dat een
medisch/lichamelijk onderzoek naar haar huidige motorische beperkingen
noodzakelijk is om tot een gefundeerde indicatiestelling te komen. Het
is de Raad niet kunnen blijken dat bij de voorbereiding van de
beslissing op bezwaar, naar op de weg van appellant lag, aan deze
gemotiveerde bezwaren tegen het indicatieadvies op enigerlei wijze
inhoudelijk aandacht is besteed.
4. De Raad komt tot de slotsom dat de rechtbank, zij het op onjuiste
gronden, het bestreden besluit terecht heeft vernietigd. De aangevallen
uitspraak dient met verbetering van gronden te worden bevestigd.
Appellant zal worden opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te
nemen en daarbij de uitspraak van de Raad in acht te nemen.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om appellant met toepassing van
artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde
in hoger beroep, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten
niet is gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen.
Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. T. Hoogenboom
en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als
griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2003.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) L.N. Nijhuis.
|
|