|
Uitspraak
00/4334 WSW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Bestuurscommissie voor de Diamant-groep te Tilburg, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 26
juni 2000, nr. 99/1104 WSW GA, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft gedaagde schriftelijke inlichtingen verstrekt en
nadere stukken ingezonden.
Ook appellant heeft nog nadere stukken ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 11 juni 2003, waar appellant in
persoon is verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. C.H. Broekmeulen en A.P.M. van der Linden, beiden werkzaam bij de
Diamant-groep.
II. MOTIVERING
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang
zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen
uitspraak. Hier wordt volstaan met vermelding van de volgende, als
vaststaand aangenomen, gegevens.
1.1. Appellant was sedert 1980 werkzaam als zelfstandig ondernemer,
sedert 1993 als beheerder van de horecavoorziening van een sporthal.
Omdat hij wegens ernstige rugklachten zijn werkzaamheden nog maar voor
een klein deel kon verrichten, heeft appellant een verzoek ingediend om
in aanmerking te komen voor plaatsing in het kader van de Wet sociale
werkvoorziening. Nadat de Wsw-indicatiecommissie Midden-Brabant (hierna:
indicatiecommissie) negatief had geadviseerd, is appellants verzoek bij
besluit van 27 mei 1998 afgewezen. Het hiertegen door appellant gemaakte
bezwaar is door gedaagde bij het bestreden besluit van 11 mei 1999
ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant
tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. Omtrent de bevoegdheid van gedaagde om te besluiten op het
bezwaarschrift van appellant overweegt de Raad als volgt.
3.1. Bij raadsbesluit van 2 januari 1996 heeft de gemeenteraad van de
gemeente Tilburg de bevoegdheden van de raad tot uitvoering van de Wet
Sociale Werkvoorziening gedelegeerd aan de Bestuurscommissie DSW,
tegenwoordig geheten Bestuurscommissie voor de Diamant-groep, een
commissie in de zin van artikel 82 van de Gemeentewet. Bij de invoering
van de Wsw is dit niet gewijzigd. Gelet daarop gaat de Raad ervan uit
dat per abuis boven het bestreden besluit is vermeld dat de bevoegdheid
tot beslissen op bezwaar door de gemeenteraad is gemandateerd aan
gedaagde. De Raad merkt deze vermelding aan als een kennelijke misslag.
4. Namens appellant is, kort samengevat, in hoger beroep aangevoerd dat
zijn medische beperkingen een zodanig grote afstand tot de arbeidsmarkt
scheppen dat hij geen werkzaamheden kan verrichten in een normale
arbeidsomgeving, ook niet wanneer deze is aangepast. Appellant heeft
daarbij verwezen naar het advies van E. Blesgraaf, bedrijfsarts van de
Dienst Sociale Werkvoorziening Tilburg.
5. Naar aanleiding hiervan overweegt de Raad als volgt.
5.1. Ingevolge artikel 1, onder a, van de Wsw wordt verstaan onder de
doelgroep: personen, die nog niet de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt en die door lichamelijke, verstandelijke of
psychische beperkingen uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot
regelmatige arbeid in staat zijn.
5.2. De Raad heeft uit hetgeen door appellant in hoger beroep is
aangevoerd geconcludeerd dat appellant zich op het standpunt stelt dat
het indicatieadvies en het daarop gebaseerde bestreden besluit
onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. De Raad volgt appellant hierin
niet.
5.3. Uit het rapport van het Wsw-indicatieonderzoek blijkt dat dit is
gebaseerd op informatie verstrekt door het GAK in de vorm van
afschriften van de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige
rapportages die zijn uitgebracht in het voorjaar van 1997 in het kader
van de beoordeling van appellants aanvraag van een uitkering ingevolge
de Algemene arbeidsongeschiktheidswet. Uit die rapportages blijkt dat
appellant als gevolg van zijn rugklachten niet langer geschikt is voor
zijn eigen werk als zelfstandige, maar dat hij wel in staat wordt geacht
tot het verrichten van passende arbeid in het reguliere bedrijfsleven,
waarmee hij een zodanig inkomen kan verwerven dat geen verlies van
verdienvermogen optreedt. Op basis van deze gegevens is een
intakeprofiel opgesteld en door middel van een beslistabel geconcludeerd
dat appellant niet behoort tot de doelgroep van de Wsw.
Omdat de indicatiecommissie de door het GAK verstrekte informatie een
onvoldoende basis voor besluitvorming vond, is nadere informatie
ingewonnen bij voormelde bedrijfsarts. Deze achtte de rugklachten en
beperkingen van appellant vrij fors en blijvend en vond hem alleen
geschikt voor licht afwisselend werk. Daarbij sprak hij er zijn twijfel
over uit of dit werk in het vrije bedrijf te verkrijgen en te behouden
was. Ook hij vulde een intakeprofiel in dat op onderdelen afwijkt van
het eerste intakeprofiel. Vervolgens concludeerde hij via de beslistabel
dat appellant wel behoort tot de doelgroep van de Wsw.
De indicatiecommissie, geconfronteerd met onderling verschillende
intakeprofielen en beslistabellen met een tegenstrijdige uitkomst, heeft
op basis van alle ter beschikking staande medische en arbeidskundige
gegevens en na nader overleg met een onafhankelijke arts vastgesteld dat
het tweede intakeprofiel niet spoort met de samenvatting van het daaraan
ten grondslag liggende medisch onderzoek en geconcludeerd dat appellant
met voorzieningen die realiseerbaar zijn in een reguliere
arbeidsomgeving in staat moet worden geacht tot arbeid op de reguliere
arbeidsmarkt, zodat hij niet behoort tot de doelgroep van de Wsw.
5.4. De bezwarencommissie heeft een second opinion gevraagd aan de
Indicatiecommissie van de sociale werkvoorziening te Boxtel, die na
dossieronderzoek de opvatting van de indicatiecommissie heeft bevestigd.
Nadat appellants gemachtigde met de second opinion was geconfronteerd en
daarop had gereageerd, heeft de bezwarencommissie in navolging van de
indicatiecomissie geconcludeerd dat de conclusies van de bedrijfsarts
Blesgraaf niet aansluiten op het door hem ingevulde intakeprofiel en dat
het eerste intakeprofiel juist is. De bezwarencommissie heeft het advies
van de indicatiecommissie zorgvuldig geoordeeld en appellants bezwaar
ongegrond verklaard.
5.5. De Raad is van oordeel dat gelet op de in 5.3. en 5.4. beschreven
gang van zaken het indicatieonderzoek en het nadere onderzoek door de
bezwarencommissie de zorgvuldigheidstoets kunnen doorstaan en dat
gedaagde op goede gronden het door de bedrijfsarts Blesgraaf ingevulde
intakeprofiel ter zijde heeft gelegd.
Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde gezien de overige medische
en arbeidskundige gegevens voorts op goede gronden geconcludeerd dat
appellant, hoewel hij zeker aanzienlijke beperkingen voor arbeid heeft,
passende arbeid op de reguliere arbeidsmarkt kan verrichten en derhalve
niet uitsluitend is aangewezen op arbeid in Wsw-verband, zodat hij niet
behoort tot de doelgroep van de Wsw. Gelet op het vorenstaande kan het
bestreden besluit in stand blijven en dient de aangevallen uitspraak te
worden bevestigd.
6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. T.
Hoogenboom en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in
tegenwoordigheid van I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 10 juli 2003.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) I.D. Veldman.
|
|