|
Uitspraak
01/3997 WSW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Bestuurscommissie voor de Diamant-groep te Tilburg, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 mei
2001, nr. 00/1246, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 11 juni 2003, waar appellant in
persoon is verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. C.H. Broekmeulen en A. van der Linden, beiden werkzaam bij de
Diamant-groep.
II. MOTIVERING
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang
zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen
uitspraak. Hier wordt volstaan met vermelding van de volgende, als
vaststaand aangenomen, gegevens.
1.1. Appellant, geboren in 1943 en sedert 1992 werkzaam via de Banenpool
en de Wet inschakeling werkzoekenden (hierna: Wiw), laatstelijk als
[naam functie] bij de gemeente [gemeentenaam], heeft in januari 2000 bij
de Wsw-indicatiecommissie Midden-Brabant (hierna: de indicatiecommissie)
een verzoek om toelating tot de doelgroep van de Wet sociale
werkvoorziening (Wsw) ingediend. Nadat de indicatiecommissie negatief
had geadviseerd, is appellants verzoek bij besluit van 21 maart 2000
afgewezen. Het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar is door
gedaagde bij het bestreden besluit van 8 juni 2000 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant
tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. Omtrent de bevoegdheid van gedaagde om te besluiten op het
bezwaarschrift van appellant overweegt de Raad als volgt.
3.1. Bij raadsbesluit van 2 januari 1996 heeft de gemeenteraad van de
gemeente Tilburg de bevoegdheden van de raad tot uitvoering van de Wet
Sociale Werkvoorziening gedelegeerd aan de Bestuurscommissie DSW,
tegenwoordig geheten Bestuurscommissie voor de Diamant-groep, een
commissie in de zin van artikel 82 van de Gemeentewet. Bij de invoering
van de Wsw is dit niet gewijzigd. Gelet daarop gaat de Raad ervan uit
dat per abuis boven het bestreden besluit is vermeld dat de bevoegdheid
tot beslissen op bezwaar door de gemeenteraad is gemandateerd aan
gedaagde. De Raad merkt deze vermelding aan als een kennelijke misslag.
4. Appellant heeft, kort samengevat, in hoger beroep aangevoerd dat de
indicatiecommissie geen enkel onderzoek heeft gedaan naar zijn medische
beperkingen en dat hij vanwege die beperkingen is aangewezen op werk in
een aangepaste omgeving, zodat hij tot de doelgroep van de Wsw dient te
worden gerekend.
5. Naar aanleiding hiervan overweegt de Raad als volgt.
5.1. Ingevolge artikel 1, onder a, van de Wsw wordt verstaan onder de
doelgroep: personen, die nog niet de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt en die door lichamelijke, verstandelijke of
psychische beperkingen uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot
regelmatige arbeid in staat zijn.
5.2. Uit het rapport van het Wsw-indicatieonderzoek en de daarbij
gevoegde beslistabel blijkt dat voor appellant, die ten tijde van dit
onderzoek een uitkering ontving krachtens de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, beperkingen zijn aangenomen in
verband met hoge rugklachten, hartklachten en psoriasis. Daarbij is
uitgegaan van recente informatie van bedrijfsartsen van de ArboUnie, van
appellants behandelend cardioloog en van de verzekeringsarts van het
GAK, die appellant op 8 februari 2000 heeft onderzocht. Appellant is in
staat geacht tot fysiek licht werk, waarbij contact met zepen en
chemicaliλn en werken onder tijdsdruk dient te worden vermeden. De
maximale werkbelasting voor appellant is tijdelijk, in verband met het
opdoen van arbeidsritme na een periode van volledige
arbeidsongeschiktheid, gesteld op 4 uur per dag met een werktempo van 50
tot 75% van een normale prestatie, maar een volledige werktijd wordt
mogelijk geacht met een geleidelijke verhoging van de werkdruk.
De indicatiecommissie heeft op basis van het vorenstaande geconcludeerd
dat appellant met voorzieningen die realiseerbaar zijn binnen de Wiw in
een reguliere arbeidsomgeving in staat is tot arbeid op de reguliere
arbeidsmarkt, zodat hij niet behoort tot de doelgroep van de Wsw.
5.3. De Raad is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het
indicatieonderzoek onzorgvuldig is geweest. De desbetreffende
onderzoeker had de beschikking over recente medische en arbeidskundige
gegevens over appellant en heeft zijn conclusies kennelijk daarop
gebaseerd. Dat appellant in het kader van het indicatieonderzoek niet
lichamelijk is onderzocht, acht de Raad geen omissie, nu appellant nog
zeer recent door een verzekeringsarts van het GAK was onderzocht en de
gegevens van dat onderzoek bij het indicatieadvies zijn betrokken.
Voorts is de Raad van oordeel dat de door appellant overgelegde medische
gegevens geen nieuw licht werpen op zijn medische situatie ten tijde in
geding en geen aanleiding gaven om appellant alsnog een medisch
onderzoek te laten ondergaan.
5.4. Naar het oordeel van de Raad is gedaagde op grond van de ter
beschikking staande medische en arbeidskundige gegevens alsmede het feit
dat appellant in het kader van de Wiw regulier werk verrichtte terecht
tot de conclusie gekomen dat appellant, hoewel hij zeker beperkingen
voor arbeid heeft, niet uitsluitend is aangewezen op arbeid in
Wsw-verband, nu er voor hem een voorliggende voorziening is in de vorm
van de Wiw en hij ook passende arbeid op de reguliere arbeidsmarkt kan
verrichten. Hij hoort dan ook niet tot de doelgroep van de Wsw. Dat,
naar appellant heeft gesteld, collega's in het kader van de Wsw
hetzelfde werk verrichten als appellant in het kader van de Wiw kan hier
niet aan afdoen. Gelet op het vorenstaande berust het bestreden besluit
op goede gronden en kan het in stand blijven, in verband waarmee de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. T.
Hoogenboom en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in
tegenwoordigheid van I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 10 juli 2003.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) I.D. Veldman.
|
|