|
Uitspraak
02/4164 WSW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Bestuurscommissie Sociale Werkvoorzieningschap Gewest Midden-Limburg
als rechtsopvolgster van het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke
Regeling Westrom, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift, met
bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak
van de rechtbank Roermond van 18 juni 2002, nr. 01/1214 WSW K1, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 28 mei 2003, waar namens
appellante is verschenen mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Roermond.
Gedaagde heeft zich na voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang
zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen
uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Als gevolg van een valpartij op 11 april 1997 waarbij zij haar pink
heeft gebroken, heeft zich bij appellante blijkens de gedingstukken een
sympatische reflex dystrofie ontwikkeld. In verband daarmee ontvangt zij
sedert 24 januari 2000 een uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Op 15 januari 2001 heeft appellante
zich aangemeld voor plaatsing bij de sociale werkvoorziening. Bij
besluit van 1 mei 2001 heeft gedaagde besloten appellante niet tot de
doelgroep als omschreven in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a,
van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) te rekenen, om reden dat zij
onder aangepaste omstandigheden en met behulp van technische
aanpassingen in staat is in een normale arbeidsomgeving te werken.
Gedaagde heeft dit besluit na bezwaar bij het in geding zijnde besluit
van 28 september 2001 gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante bij de aangevallen
uitspraak ongegrond verklaard.
3. Namens appellante is in hoger beroep in hoofdzaak aangevoerd dat
gedaagde het bestreden besluit baseert op adviezen, die niet bekend zijn
gemaakt en daardoor niet toetsbaar zijn. Het bestreden besluit is daarom
niet voldoende deugdelijk onderbouwd. Appellante is in het kader van de
beoordeling van haar aanmelding nooit medisch onderzocht, terwijl zich
ook overigens geen informatie over een medische beoordeling in het
dossier bevindt. Onduidelijk is daarom op welke medische informatie het
bestreden besluit is gebaseerd. In de bezwaarfase heeft ook slechts een
papieren herbeoordeling plaatsgevonden, waarbij niet is ingegaan op
hetgeen in bezwaar is aangevoerd. Gedaagde had haar oordeel daarom niet
op het advies mogen baseren. Appellante wijst er voorts nog op dat
gedaagde voorbij is gegaan aan het feit dat zij een WAO-uitkering
ontvangt naar volledige arbeidsongeschiktheid, hetgeen inhoudt dat zij
als gevolg van een objectief medisch vast te stellen ziekte of gebrek
niet of verminderd in staat is een inkomen te verwerven. Voorts is
volgens appellante inmiddels gebleken dat zij bij sollicitaties in een
normale arbeidsomgeving geen enkele kans krijgt.
4. Volgens artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsw wordt
verstaan onder doelgroep: personen jonger dan 65 jaar die door
lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen uitsluitend onder
aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zijn.
Ingevolge artikel 11 van de Wsw dient gedaagde aan de hand van bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde nadere regels (onder
meer) bij beschikking vast te stellen of een persoon tot de doelgroep
behoort. Op grond van artikel 12 van de Wsw dient gedaagde omtrent de
indicatiestelling advies in te winnen van een onafhankelijke commissie.
Het advies en de werkwijze van de Indicatiecommissie zijn geregeld in
het Besluit Indicatie sociale werkvoorziening en de daarop gebaseerde
Regeling indicatie sociale werkvoorziening.
5. Het advies van 13 april 2001 van de Indicatiecommissie houdt in dat
appellante onder voorwaarden, waaronder afstemming van de werkplek op
eenarmigheid, in staat wordt geacht in een normale werkomgeving te
kunnen werken. Blijkens de op het adviesformulier aangevinkte
onderzoeken is het advies gebaseerd op een intakegesprek, een
intakeprofiel en een handvaardigheidonderzoek. Bij het primaire besluit
is een kopie van het advies en van het intakeprofiel meegezonden. De bij
de onderzoeken toegekende scores zijn door gedaagde, voorzover de Raad
kan nagaan, pas in de beroepsfase aan appellante bekend geworden. Dat
gedaagde is onderzocht door een indicatiearts, zoals namens gedaagde met
verwijzing naar het Indicatieprotocol bij verweerschrift in eerste
aanleg is gesteld, heeft de Raad niet kunnen vaststellen.
5.1. In bezwaar heeft appellante gewezen op dit ontbreken van medisch
onderzoek. Met name tijdens de hoorzitting van de bezwarencommissie
heeft appellante naar voren gebracht en door overlegging van een brief
van de haar behandelend specialist onderbouwd, dat de Indicatiecommissie
geen juist beeld heeft van haar handicap. Blijkens haar advies gaat de
commissie (slechts) uit van een functiestoornis aan de rechter pink,
terwijl in werkelijkheid sprake is van een progressief ziektebeeld en
appellante inmiddels haar arm en schouder niet meer kan gebruiken.
Voorts heeft appellante een rapport van 22 februari 2001 van een in haar
eigen opdracht door het Arbeidsonderzoek- en trainingscentrum van
Westrom uitgevoerd onderzoek overgelegd, waarin (weliswaar)
verschillende werksoorten worden aangeduid waarin appellante werkzaam
zou kunnen zijn, maar tevens naar voren komt dat bij passende
werkzaamheden een gemiddelde output van 50 tot 70% van de vrije
bedrijfsnorm wordt behaald. De Raad is van oordeel dat gedaagde onder
die omstandigheden bij het bestreden besluit niet heeft kunnen volstaan
met verwijzing naar het nadere advies van de Indicatiecommissie dat op
zijn beurt gebaseerd is op een ongemotiveerd en niet (kenbaar) op eigen
anamnese en onderzoek gebaseerd advies van de bedrijfsarts, en het niet
nader gemotiveerde standpunt van de arbeidskundige. Dit klemt temeer nu
appellante in het kader van de WAO volledig arbeidsongeschikt is geacht
en van haar daarom een voldoende gedocumenteerde ziektegeschiedenis
beschikbaar is. Appellante heeft op haar sollicitatieformulier verklaard
desgevraagd toestemming te zullen geven die informatie bij de
bedrijfsvereniging op te vragen.
5.2. Op grond van het vorenstaande is de Raad anders dan de rechtbank
van oordeel dat het bestreden besluit dat appellante niet tot de
Wsw-doelgroep behoort, onvoldoende inzichtelijk en draagkrachtig is
gemotiveerd en daarom wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet
bestuursrecht vernietigd dient te worden. Dit geldt eveneens voor de
aangevallen uitspraak waarbij dit besluit in stand is gelaten.
Gedaagde zal een nieuwe beslissing moeten nemen op appellantes bezwaar
met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.
5.3. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedaagde op grond van
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de
proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag van €
647,36, en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,- aan kosten van
rechtsbijstand
6. Beslist wordt derhalve zoals in rubriek III vermeld.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond;
Vernietigt het besluit van 28 september 2001;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg
tot een bedrag van € 647,36 en in hoger beroep tot een bedrag van €
322,- , te betalen door het Sociale Werkvoorzieningschap Gewest
Midden-Limburg;
Bepaalt dat het Sociale Werkvoorzieningschap Gewest Midden-Limburg aan
appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde
griffierecht van in totaal € 111,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr.
T. Hoogenboom en mr. J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van
A. Heijink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) A. Heijink.
|
|