|
Uitspraak
02/3122 WSW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het Dagelijks Bestuur van het Werkvoorzieningschap Fryslân West als
rechtsopvolger van het Dagelijks Bestuur van het Werkvoorzieningschap
Westergo, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Leeuwarden van 23 april 2002, nr. 00/651 WSW, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft gedaagde een nader stuk ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 11 juni 2003, waar appellant,
als tevoren aangekondigd, niet is verschenen. Gedaagde heeft zich laten
vertegenwoordigen door mr. drs. P.A.M. Verkuijlen, advocaat te Sint
Oedenrode met bijstand van S. Dijkema, werkzaam voor het Werkvoorzieningschap Fryslân West.
II. MOTIVERING
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang
zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen
uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant stond op de wachtlijst om in aanmerking te komen voor een
dienstbetrekking in het kader van de sociale werkvoorziening.
1.2. Bij besluit van 26 november 1999, na bezwaar gehandhaafd bij het
bestreden besluit van 27 april 2000, heeft gedaagde appellant meegedeeld
hem niet te kunnen rekenen tot de doelgroep van de sociale
werkvoorziening. Dit betekent dat gedaagde van de wachtlijst wordt
afgevoerd.
2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep
ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen namens appellant is aangevoerd overweegt
de Raad het volgende.
3.1. Appellant is van oordeel dat nu hij onder de doelgroepomschrijving
van de tot 1 januari 1998 van kracht zijnde Wet Sociale Werkvoorziening
(WSW) viel, hij ook tot de doelgroep van de op de laatstgenoemde datum
in werking getreden Wet sociale werkvoorziening (Wsw) behoort omdat de
omschrijving van doelgroep niet wezenlijk is gewijzigd. Dit standpunt
moet worden verworpen reeds omdat het feitelijk onjuist is. Volgens
artikel 7, eerste lid, van de WSW behoorden tot de doelgroep van die wet
personen die tot arbeid in staat waren, doch voor wie, in belangrijke
mate ten gevolge van bij hen gelegen factoren, gelegenheid om onder
normale omstandigheden arbeid te verrichten niet of voorshands niet
aanwezig was, en voor wie het gemeentebestuur diende te bevorderen dat
gelegenheid bestond tot het verrichten van arbeid onder aangepaste
omstandigheden, welke zoveel mogelijk gericht was op het behoud, het
herstel of de bevordering van hun arbeidsgeschiktheid. Volgens artikel
1, eerste lid, van de Wsw wordt onder doelgroep verstaan personen, die
nog niet de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt en die door
lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen uitsluitend onder
aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zijn. De Raad
onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank hieromtrent.
Samengevat heeft zij overwogen dat de doelgroepomschrijving in en
krachtens artikel 1 van de Wsw aangescherpt is ten opzichte van die van
artikel 7 van de WSW en dat ook uit de parlementaire geschiedenis blijkt
dat in de Wsw een striktere doelgroepomschrijving is beoogd. Hieruit
volgt ook naar het oordeel van de Raad dat het enkele feit dat appellant
onder de voor 1 januari 1998 geldende doelgroepomschrijving viel, niet
betekent dat hij na deze datum op de wachtlijst gehandhaafd dient te
worden. Ook kent de Wsw op dit punt geen overgangsrecht waaraan
appellant een aanspraak daarop kan ontlenen.
3.2. Verder is appellant van oordeel dat het onderzoek van de in artikel
3 van het Besluit indicatie sociale werkvoorziening (het
Indicatiebesluit) bedoelde commissie (de indicatiecommissie) niet
deugdelijk is. Deze onafhankelijke commissie dient verplicht te
adviseren. Op haar advies is het besluit gebaseerd om appellant van de
wachtlijst af te voeren. Ook hierin volgt de Raad appellant niet.
3.2.1. De indicatiecommissie heeft haar advies gebaseerd op eigen
onderzoek. Voorts heeft zij afzonderlijke onderzoeken laten verrichten
naar de medische belastbaarheid van appellant, naar zijn persoonlijkheid
en naar zijn arbeidsmogelijkheden.
(i) Volgens de rapportage medisch onderzoek WSW-indicering - voor welk
onderzoek appellant door een bedrijfsarts op het spreekuur is gezien en
waarin verzekeringsgeneeskundige informatie, afkomstig van Cadans, is
betrokken - is onderzocht of appellant medische beperkingen heeft ten
aanzien van arbeid en of er sprake is van een stationaire medische
situatie. Uit het rapport van de bedrijfsarts komt naar voren dat
appellant aan een familiaire spierziekte lijdt die bij hem nog niet tot
aanzienlijke beperkingen heeft geleid. Uiteindelijk is hij in een mate
van 80 tot 100% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO geacht vanwege
psychische problemen. Twee eerdere WSW-dienstverbanden werden beëindigd
omdat appellant destijds niet in staat bleek tot regelmatige arbeid.
Deze arts achtte een psychologisch onderzoek noodzakelijk.
(ii) Dit onderzoek is verricht door het Arbeids Onderzoekcentrum (AOC).
Een psycholoog van het AOC heeft een persoonlijkheidsonderzoek verricht
en er is een capaciteitenonderzoek gedaan. Op basis van de resultaten
van een en ander wordt geconcludeerd dat appellants presentatie
aanleiding geeft tot het duiden van psychische stoornissen op
gedragsmatig vlak. De mogelijkheden op de reguliere markt worden niet reëel
geacht.
3.2.2. Aan de hand van de voorgeschreven beslistabellen heeft de
indicatiecommissie, met inachtneming van de voormelde
onderzoeksgegevens, onderzocht of appellant tot de doelgroep behoort.
Volgens de in bijlage I bij het Indicatiebesluit opgenomen beslistabel
"Behoren bij de doelgroep" blijkt dat beoordeeld moet worden
of de betrokkene in staat wordt geacht met de noodzakelijke
voorzieningen en/of maatregelen regelmatig arbeid in Wsw-verband te
kunnen verrichten. De ten aanzien van appellant ingevulde beslistabel
leidt tot de conclusie dat hij niet behoort tot de doelgroep omdat hij
teveel begeleiding nodig heeft. De tijd die nodig is voor persoonlijke
begeleiding - buiten de functionele contacten die gegeven de aard van de
functie als gebruikelijk moeten worden beschouwd - bedraagt meer dan 10%
van appellants werktijd. Voorts blijkt uit het ingevulde intakeprofiel
dat appellant onvoldoende scoort op de aspecten 51 en 52 van het
intakeprofiel. Dit betekent dat appellant zeer grote beperkingen heeft
op de aspecten werken zonder intensieve begeleiding en arbeidsritme. De
indicatiecommissie concludeert op grond hiervan dat appellant niet
behoort tot de doelgroep van de Wsw.
3.2.3. Van de zijde van appellant zijn geen gegevens aangedragen die
aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de vermelde
onderzoeksresultaten, de wijze waarop die in het verdere onderzoek van
de indicatiecommissie zijn verwerkt en de gevolgtrekking die deze
commissie daaruit heeft gemaakt. Anders dan appellant is de Raad dan ook
van oordeel dat het advies van de indicatiecommissie, dat aan gedaagdes
beslissing ten grondslag ligt, voldoet aan de daaraan rechtens te
stellen eisen met betrekking tot inzichtelijkheid en dat gedaagde dit
advies, heeft kunnen en mogen volgen. Gedaagde is dan ook op goede
gronden tot het oordeel gekomen dat appellant niet tot de doelgroep van
de Wsw behoort.
4. Gezien het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen
uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. T.
Hoogenboom en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in
tegenwoordigheid van I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 17 juli 2003.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) I.D. Veldman.
|
|