|
Uitspraak
01/1151 WSW en 01/1152 WSW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant 1], wonende te [woonplaats] en [appellant 2] wonende te
[woonplaats], appellanten,
en
het Dagelijks Bestuur van de Dienst Sociale Werkvoorziening Rijswijk en
Omstreken, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Namens appellanten is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van
16 januari 2001, nr. AWB 00/3573 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 5 juni 2003 waar
appellanten zijn verschenen bij gemachtigde mr. A.M.C. Marius-van Eeghen, advocaat te Den Haag. Gedaagde heeft zich
ter zitting laten vertegenwoordigen door drs. H. Reit, werkzaam bij Adviesbureau Reit
B.V.
II. MOTIVERING
1. Voor een uitgebreid overzicht van de in dit geding van belang zijnde
feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier
met het volgende.
1.1. Ter uitvoering van 's Raads uitspraak van 29 juli 1999, nrs.
97/6574 WSW en 97/6580 WSW, heeft gedaagde bij besluiten van 30 november
1999 opnieuw beslist op de bezwaren van appellanten en deze door
toezending aan appellanten bekend gemaakt. Aan de voet van de bestreden
besluiten is vermeld dat binnen zes weken na de dag dat dit besluit aan
betrokkene bekend is gemaakt tegen het besluit beroep ingesteld kan
worden bij de rechtbank 's-Gravenhage. Na telefonisch overleg met een
medewerker van gedaagde op 4 januari 2000 is namens appellanten nog op
diezelfde dag pro-formabezwaar gemaakt bij gedaagde. Gedaagde heeft
appellanten bij brief van 5 januari 2000 in de gelegenheid gesteld om
binnen een termijn van zes weken de gronden van het bezwaar in te
dienen. Bij brief van 11 februari 2000 zijn de gronden van het bezwaar
bij gedaagde ingediend. Op 24 februari 2000 heeft gedaagde het
bezwaarschrift doorgezonden aan de rechtbank 's-Gravenhage met het
verzoek dit als beroepschrift in behandeling te nemen.
2. De rechtbank 's-Gravenhage heeft het op 29 februari 2000 ter griffie
ingekomen beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) bij uitspraak van 19 mei 2000, nr. AWB 00/3573,
niet-ontvankelijk verklaard. Het hiertegen gedane verzet is bij
uitspraak van 10 november 2000, nr. AWB 00/3573 AW, gegrond verklaard,
waardoor de uitspraak van 19 mei 2000 is komen te vervallen en het
onderzoek is voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep (alsnog)
niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
3. Namens appellanten is in hoger beroep aangevoerd dat gedaagde het (pro-forma)bezwaarschrift niet overeenkomstig artikel 6:15 van de Awb "zo
spoedig mogelijk" heeft doorgezonden aan de rechtbank. Voorts heeft
de gemachtigde met betrekking tot artikel 6:15, derde lid, van de Awb
verzocht om analoge toepassing van de doorzendregeling zoals deze is
opgenomen in artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering,
waarbij het tijdstip van indiening bij de onbevoegde rechter in alle
gevallen bepalend is voor de vraag of het beroepschrift tijdig is
ingediend. Tevens is gesteld dat nu gedaagde, na daarover gemaakte
afspraken, appellanten in de gelegenheid heeft gesteld de gronden van
bezwaar in te dienen appellanten er op mochten vertrouwen dat zij zonder
vormfouten de gronden van het bezwaar in een later stadium bij de
bevoegde instantie konden indienen.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, vangt de termijn
voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift aan met ingang van
de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is
gemaakt.
Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb, is een bezwaar- of
beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn
is ontvangen.
In het geval dat het bezwaar- of beroepschrift is ingediend bij een
onbevoegd bestuursorgaan is het bepaalde in artikel 6:15 van de Awb van
toepassing.
Ingevolge artikel 6:15, derde lid van de Awb, zoals dat artikellid
luidde ten tijde in geding, is het tijdstip van indiening bij het
onbevoegde orgaan bepalend voor de vraag of het bezwaar- of
beroepschrift tijdig is ingediend indien:
a. geen juiste toepassing aan artikel 3:45 of artikel 6:23 van de Awb is
gegeven,
b. het bezwaar is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit,
of
c. de onbevoegdheid van het orgaan voor de indiener van het geschrift op
een andere grond onduidelijk kon zijn.
4.2. Gelet op de juiste toepassing van artikel 6:23 van de Awb door
gedaagde en het feit dat het gemachtigde van appellanten op grond van
artikel 7:11 van de Awb en ook overigens duidelijk behoorde te zijn dat
tegen het na de uitspraak van de Raad door gedaagde genomen besluit
rechtstreeks beroep op de rechtbank openstond, stelt de Raad vast dat
zich in het onderhavige geval geen van de in artikel 6:15, derde lid,
van de Awb onder a, b, en c aangegeven situaties voordoet. De Raad kan
bij de beantwoording van de vraag of tijdig beroep is ingesteld dan ook
niet uitgaan van de datum van ontvangst van het bezwaarschrift bij
gedaagde.
4.3. De Raad is van oordeel dat de late doorzending door gedaagde van
het door haar op 5 januari 2000 ontvangen - als beroepschrift aan te
merken - bezwaarschrift in dit geval door de rechtbank op goede gronden
voor risico van appellanten is gelaten. Volgens vaste jurisprudentie van
de Raad (zie CRvB 14 mei 1996, Rawb/78) wordt onder een "zo spoedig
mogelijke" doorzending als bedoeld in artikel 6:15, eerste lid, van
de Awb verstaan een doorzending die plaatsvindt binnen twee weken na
ontvangst van het geschrift. Indien doorzending na afloop van die
periode van twee weken plaats vindt, moet voor de beoordeling van de
tijdigheid van het maken van bezwaar of beroep worden gedaan alsof het
doorgezonden - als beroepschrift aan te merken - bezwaarschrift is
ontvangen op de laatste dag van bedoelde periode van twee weken. In het
onderhavige geval betekent dit dat ook indien gedaagde het pro-formabezwaarschrift zo spoedig mogelijk na ontvangst op
5 januari 2000 aan de rechtbank zou hebben toegezonden, het niet binnen
de in artikel 6:7 van de Awb bepaalde termijn van zes weken zou zijn
ontvangen. Dat bij onmiddellijke onderkenning door gedaagde van zijn
onbevoegdheid en onmiddellijke doorzending wel sprake was geweest van
een tijdig beroep leidt niet tot een ander oordeel.
4.4. Met betrekking tot het beroep dat de gemachtigde van appellanten
heeft gedaan op analoge toepassing van artikel 69 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering merkt de Raad op dat artikel 6:15, derde
lid, van de Awb, reeds per 1 april 2002 ingevolge de Eerste evaluatiewet
Awb (Wet van 24 januari 2002, Stb. 2002, 53) in de door gemachtigde van
appellanten bepleite zin is gewijzigd. De Raad ziet overeenkomstig zijn
vaste jurisprudentie geen aanleiding op deze wetswijziging te
anticiperen.
4.5. Ten aanzien van de tussen gedaagde en de gemachtigde van
appellanten gemaakte afspraak over de ruime termijn waarbinnen de
gronden van het "bezwaar" konden worden aangevuld, hetgeen
mede heeft bijgedragen aan de late doorzending door gedaagde van het
beroepschrift naar de rechtbank, merkt de Raad op dat de bezwaar- en
beroepstermijnen in de Awb van openbare orde zijn. Die termijnen kunnen
derhalve niet door een overeenkomst tussen partijen terzijde worden
geschoven.
5. Gelet op het vorenoverwogene kan het hoger beroep niet slagen en moet
de aangevallen uitspraak worden bevestigd. De Raad acht geen termen
aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en beslist
derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr.
H.R. Geerling-Brouwer en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in
tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en in het openbaar
uitgesproken op 17 juli 2003.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) L.N. Nijhuis.
|
|