|
Uitspraak
03/4508 WSW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[naam vader], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Gemeenschappelijke Regeling VIXIA B.V., gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 29 juli
2003, nr. AWB 02/577 WSW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant heeft
gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van 1 april 2004, waar appellant in
persoon is verschenen, bijgestaan door zijn vader, [naam vader], en waar
gedaagde - zoals tevoren bericht - zich niet heeft laten
vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
1.1. Appellant heeft op 6 juni 2001 een aanvraag ingediend om in
aanmerking te komen voor een indicatie op grond van de Wet sociale
werkvoorziening (Wsw). Naar aanleiding van deze aanvraag heeft op 24
september 2001 een intakegesprek plaatsgevonden, op 3 oktober 2001 een
onderzoek naar appellants mogelijkheden op de arbeidsmarkt, op 9 oktober
2001 een gesprek met de indicatiearts, op 18 oktober 2001 een aanvullend
onderzoek naar appellants handvaardigheid en op 29 november 2001 een
gesprek met een psycholoog. Alle bevindingen zijn vastgelegd in een
zogenaamd intakeprofiel. Op 13 december 2001 heeft een
indicatiecommissie aan gedaagde advies uitgebracht.
1.2. Bij besluit van 18 december 2001 heeft gedaagde - overeenkomstig
het advies van de indicatiecommissie - beslist dat appellant behoort tot
de doelgroep van de Wsw, dat bij het verrichten van werkzaamheden
rekening zal moeten worden gehouden met een aantal maatregelen en
voorzieningen, waaronder een aanpassing van de werktijd tot maximaal
halve dagen, dat appellant is ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie
'ernstig' en dat hij niet in aanmerking komt voor een scholingstraject.
Gedaagde heeft dat besluit, na bezwaar, gehandhaafd bij het thans
bestreden besluit van 15 maart 2002.
1.3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellants beroep
tegen het besluit van 15 maart 2002 ongegrond verklaard.
1.4. In hoger beroep heeft appellant zijn bezwaren tegen het bestreden
besluit gehandhaafd voorzover daarbij is beslist dat appellant maximaal
halve dagen mag werken, dat hij is ingedeeld in de
arbeidshandicapcategorie 'ernstig' en dat hij niet in aanmerking komt
voor een scholingstraject. Appellant acht zich hierdoor beperkt in zijn
arbeidsmogelijkheden.
2. De Raad overweegt het volgende.
2.1. Ingevolge artikel 11 van de Wsw dient gedaagde aan de hand van bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde nadere regels
(onder meer) bij beschikking vast te stellen of een persoon behoort tot
de doelgroep, in welke arbeidshandicapcategorie hij moet worden
ingedeeld, welke aanpassingen van omstandigheden nodig zijn bij het
verrichten van arbeid en of de betrokkene in aanmerking komt voor een
scholingstraject. Op grond van artikel 12 van de Wsw dient gedaagde
omtrent de indicatiestelling advies in te winnen van een onafhankelijke
commissie. Het advies en de werkwijze van de indicatiecommissie zijn
geregeld in het Besluit indicatie sociale werkvoorziening (Bisw) en de
daarop gebaseerde Regeling indicatie sociale werkvoorziening.
2.2. De Raad is van oordeel dat gedaagde op goede gronden heeft
geoordeeld dat appellant niet in aanmerking komt voor een
scholingstraject. Volgens de wettelijke beslistabel bij het Bisw gaat
het bij de indicatiestelling voor scholing expliciet en uitsluitend om
scholing in het kader van het leerlingwezen (de beroepsbegeleidende
leerweg) en om scholing voor uitsluitend in de Wsw voorkomende functies.
Andere vormen van scholing, zoals dagopleidingen, korte interne bedrijfsopleidingen en avond- en weekendcursussen zijn geen doel van de
indicatiestelling. Dit betekent dat appellant in het kader van de
indicatiestelling niet is aangewezen op genoemde scholingsvormen. Ter
voorlichting aan appellant merkt de Raad op dat die conclusie onverlet
laat dat na indiensttreding kan worden beoordeeld of, en zo ja, voor
welke vormen van scholing appellant in aanmerking kan komen.
2.3. De Raad leidt uit de gedingstukken af dat het standpunt van
gedaagde dat appellant maximaal halve dagen mag werken, met name is
gebaseerd op een rapportage van het centrum voor arbeidsperspectief
Hoensbroeck van 20 september 2000. In dat rapport is evenwel na uitgebreid onderzoek
geconcludeerd dat appellant hele dagen lichamelijk kan functioneren op
een 'licht' niveau. Weliswaar is daarbij de kanttekening geplaatst dat
deze 'score-technische' interpretatie met enige voorzichtigheid moet
worden gehanteerd, gezien de bovenmatige inzet waarmee appellant tijdens
het onderzoek heeft gefunctioneerd, maar dat rechtvaardigt niet de
conclusie van gedaagde dat werken gedurende hele dagen voor appellant
gecontraïndiceerd is.
De Raad wijst in dit verband tevens op het door appellant in hoger
beroep overgelegde rapport van de aan het toenmalige Gak Nederland BV verbonden verzekeringsarts R. Leboux van 12 januari 2001 en het daarbij
behorende belastbaarheidspatroon, dat door deze arts is opgesteld naar
aanleiding van voormelde rapportage van Hoensbroeck. In dat
belastbaarheidspatroon zijn geen medische beperkingen vermeld met
betrekking tot het aantal uren per dag of per week dat appellant
maximaal zou mogen werken.
Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de beslissing
van gedaagde, dat appellant maximaal halve dagen mag werken, niet
draagkrachtig is gemotiveerd.
2.4. De Raad komt tot dezelfde conclusie met betrekking tot de
beslissing van gedaagde appellant in te delen in de
arbeidshandicapcategorie 'ernstig'. Gedaagde is tot deze indeling
gekomen omdat appellant in staat wordt geacht minder dan 50% van een
normale arbeidsprestatie te leveren onder aangepaste omstandigheden en
daarnaast het totaal aan voorzieningen c.q. maatregelen als verstrekkend
wordt beschouwd. Nu gedaagde niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom
appellant maximaal halve dagen mag werken en dat standpunt medebepalend
was voor de indeling in de arbeidshandicapcategorie 'ernstig', berust
ook dat oordeel niet op een draagkrachtige motivering.
2.5. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit wegens strijd
met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
moet worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij dit
besluit in stand is gelaten, komt voor vernietiging in aanmerking.
Gedaagde zal een nieuwe beslissing moeten nemen op het bezwaar van
appellant, met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.
3. Reeds omdat gedaagde nog een nieuwe beslissing moet nemen komt
appellants verzoek om vergoeding van schade op grond van artikel 8:73
van de Awb niet voor toewijzing in aanmerking.
4. De Raad is niet gebleken van proceskosten welke met toepassing van
artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep van appellant tegen het besluit van 15 maart 2002
gegrond;
Vernietigt het besluit van 15 maart 2002;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het door hem in eerste aanleg en in
hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 116,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A.
Beuker-Tilstra en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid
van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6
mei 2004.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) L.N. Nijhuis.
|
|