|
Uitspraak
03/2493 WSW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen, als
rechtsopvolger van het Dagelijks Bestuur van het Werkvoorzieningschap
Nijmegen en Omgeving, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10
april 2003, nr. 00/39, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, waarop appellant heeft
gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van 12 mei 2005, waar appellant in
persoon is verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. P.J. Rubens, werkzaam bij het Werkvoorzieningschap Nijmegen en
Omgeving (hierna ook WNO), en mr. R.L.A.M. Stapert, werkzaam bij de
Centrale organisatie werk en inkomen (CWI).
II. MOTIVERING
1. Met ingang van 1 april 2005 treedt in dit geding, waarin een
zogenoemde herindicatie sociale werkvoorziening aan de orde is,
krachtens de Wet van 30 juni 2004, houdende wijziging van onder andere
de Wet sociale werkvoorziening (Wsw), Stb 2004, 325, de Raad van bestuur
van de CWI in de plaats van het Dagelijks Bestuur van het WNO. Waar in
deze uitspraak sprake is van gedaagde wordt daaronder tevens verstaan
het Dagelijks Bestuur van het WNO.
2.1. Appellant, geboren op 3 augustus 1936, is om psychisch
karakterologische redenen met ingang van 27 juli 1977 toegelaten tot de
kring van personen als bedoeld in artikel 7 van de Wet Sociale
Werkvoorziening (WSW). Vervolgens is hij, in afwachting van een
geschikte arbeidsplaats op de wachtlijst van het WNO geplaatst. Dit
heeft echter nimmer geleid tot een dienstbetrekking in het kader van de
sociale werkvoorziening.
2.2. In het kader van een zogenoemde herindicatie sociale
werkvoorziening heeft gedaagde bij besluit van 28 april 1999,
overeenkomstig het advies van de indicatiecommissie van 14 april 1999,
besloten dat appellant niet langer tot de doelgroep als omschreven in
artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsw behoort, om reden
dat appellant beperkingen heeft van psychische aard. De commissie is van
oordeel, “met name na de bevindingen van het uitgebreide
psychologische onderzoek”, dat appellant niet in staat is regelmatige,
loonvormende arbeid te verrichten in welke hoedanigheid dan ook en dat
hij zich niet kan conformeren aan regels die ook gesteld worden in een
dienstverband in het kader van de Wsw en aan de gangbare betrekkingen
binnen een dienstverband, noch in collegiale zin, noch ten aanzien van
de werkleiding.
2.3. Het tegen het besluit van 28 april 1999 door appellant gemaakte
bezwaar is door gedaagde bij het bestreden besluit van 21 december 1999
ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant
tegen het bestreden besluit ingestelde beroep niet-ontvankelijk
verklaard. Daarbij heeft zij overwogen dat appellant inmiddels de
65-jarige leeftijd heeft bereikt, waardoor hij ingevolge het bepaalde in
artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsw reeds om die reden
niet meer tot de doelgroep kan worden gerekend. Voorts heeft de
rechtbank overwogen dat indien appellant tot de doelgroep zou zijn
blijven behoren hij niet meer dan een hypothetische kans zou hebben
gehad dat hem in de periode in geding in het kader van de Wsw een
dienstbetrekking zou zijn aangeboden, nu hij immers reeds 22 jaar op de
wachtlijst van het WNO was geplaatst en al die tijd niet werkzaam is
geweest in een dienstbetrekking in het kader van de sociale
werkvoorziening. De rechtbank acht het dan ook niet aannemelijk dat
appellant in de periode in geding inkomsten uit een zodanige
dienstbetrekking zou hebben genoten, zodat er ook geen sprake kan zijn
van door appellant geleden schade bestaande uit het verschil tussen
bedoelde inkomsten en zijn uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet.
De rechtbank komt vervolgens tot de conclusie dat appellant geen
procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden
besluit.
4. In hoger beroep heeft appellant betoogd wel een zodanig procesbelang
te hebben. Voorts heeft hij aangevoerd dat gedaagde het bestreden
besluit ten onrechte heeft gebaseerd op het advies van de
indicatiecommissie van 14 april 1999, nu aan dat advies een naar het
oordeel van appellant ondeugdelijk onderzoek van psycholoog drs. P. ten
grondslag heeft gelegen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij
onder meer verwezen naar de uitspraak van het College van Toezicht van
het Nederlands Instituut van Psychologen (verder: NIP) van 13 december
2000, nr. 00/23, waarbij appellants klachten tegen deze psycholoog
gegrond zijn verklaard en de psycholoog is gewaarschuwd. Dit College
achtte onder meer de conclusies van drs. P. onvoldoende onderbouwd.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1. De Raad stelt voorop dat hij het oordeel van de rechtbank dat
appellant geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het
bestreden besluit niet deelt. De Raad overweegt daartoe dat appellant
door het bestreden besluit bij voorbaat de mogelijkheid is ontnomen om
in de periode in geding werkzaam te zijn in een dienstbetrekking in het
kader van de Wsw en om inkomsten daaruit te verkrijgen. De stelling dat
die mogelijkheid louter hypothetisch was, onderschrijft de Raad niet.
Een bevestiging hiervan ziet de Raad in de brief van 12 juli 1999 van de
Stichting Uitzicht, waarin appellant is meegedeeld dat hem geen
dienstverband wordt aangeboden, omdat uit het rapport van de
indicatiecommissie van het WNO is gebleken dat hij niet in staat is
arbeid te verrichten in welke hoedanigheid dan ook, waardoor hij niet
tot de doelgroep behoort.
Nu niet uitgesloten kan worden geacht dat appellant financieel nadeel
heeft ondervonden van het bestreden besluit is de Raad van oordeel dat
sprake is van voldoende procesbelang.
5.2. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte bij de aangevallen
uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit
niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat deze uitspraak moet worden
vernietigd. De Raad zal met toepassing van artikel 27 van de Beroepswet
de zaak niet terugwijzen naar de rechtbank maar zelf afdoen, omdat naar
zijn oordeel geen nadere behandeling van de zaak door de rechtbank
noodzakelijk is, gegeven ook de omstandigheid dat beide partijen zich
over de inhoudelijke kant van de zaak hebben uitgelaten.
5.3. Volgens artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsw wordt
verstaan onder doelgroep: personen jonger dan 65 jaar die door
lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen uitsluitend onder
aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zijn.
Ingevolge artikel 11 van de Wsw, zoals dat gold ten tijde in geding,
dient gedaagde aan de hand van bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur gestelde nadere regels (onder meer) bij beschikking vast te
stellen of een persoon tot de doelgroep behoort. Op grond van artikel 12
(oud) van de Wsw dient gedaagde omtrent de indicatiestelling advies in
te winnen van een onafhankelijke commissie. Het advies en de werkwijze
van deze indicatiecommissie zijn geregeld in het Besluit indicatie
sociale werkvoorziening en de daarop gebaseerde Regeling indicatie
sociale werkvoorziening.
5.4.1. Gedaagde heeft aangegeven dat het advies van de
indicatiecommissie van 14 april 1999 met name is gebaseerd op het
oordeel van de psycholoog drs. P. Deze psycholoog heeft in het kader van
zijn onderzoek op 31 maart 1999 met appellant een gesprek gehad. Op
verzoek van appellant heeft de psycholoog vervolgens van zijn
bevindingen een schriftelijke rapportage opgemaakt. Daarin is tevens
zijn advies omtrent de indicatiestelling van appellant vermeld. Volgens
deze psycholoog berust dit advies op zijn veertigjarige werkervaring,
het hiervoor bedoelde gesprek met appellant, en op bestudering van de
dossierstukken betreffende met name de paranoďde persoonlijkheid van
appellant, diens werkhouding en vaardigheden.
5.4.2. Met het College van Toezicht van het NIP is de Raad van oordeel
dat noch uit het rapport, noch uit andere gedingstukken blijkt welke
specifieke dossierstukken de psycholoog drs. P. bij zijn oordeelsvorming
heeft betrokken en hem tot zijn conclusies hebben gebracht. Ook tijdens
de mondelinge behandeling door het College van Toezicht van de door
appellant tegen drs. P. ingediende klacht heeft drs. P. hierover geen
duidelijkheid kunnen verschaffen.
5.4.3. Voorts heeft appellant ontkend bepaalde in het rapport vermelde
uitlatingen tijdens het gesprek met drs. P. op 31 maart 1999 te hebben
gedaan. Andere uitlatingen zijn volgens appellant onjuist door drs. P.
in zijn rapport vastgelegd. Van deze in het rapport opgenomen
uitlatingen is drs. P. echter wel uitgegaan bij zijn advisering.
5.5. De Raad meent dan ook dat het advies van drs. P. omtrent de
indicatiestelling van appellant niet op voldoende zorgvuldige wijze tot
stand is gekomen.
Gelet hierop kon gedaagde bij het bestreden besluit niet volstaan met
verwijzing naar het advies van de Indicatiecommissie dat op zijn beurt
hoofdzakelijk gebaseerd is op de bevindingen van de psycholoog drs. P.
Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het bestreden
besluit in rechte geen stand kan houden en voor vernietiging in
aanmerking komt.
5.6. Gezien de leeftijd van appellant, het tijdsverloop en de wijze
waarop gedaagde in het verleden met appellants belangen is omgegaan
stelt de Raad voorts ter finale beslechting van het geschil met
toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb), zelf vast dat appellant ten tijde hier in geding is
blijven behoren tot de doelgroep als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
aanhef en onder a, van de Wsw. De Raad heeft hierbij mede in aanmerking
genomen dat appellant een geruim aantal jaren heeft gestaan op de lijst
van personen die behoren tot de personenkring van de WSW en dat niet is
gebleken van gewijzigde feiten of omstandigheden die grond geven voor
het oordeel dat appellant niet meer tot deze kring of doelgroep van de
sociale werkvoorziening kan worden gerekend. Dit spreekt te meer nu de
wetgeving een wijziging heeft ondergaan die mogelijk maakt juist ook
“ernstige gevallen” onder de werkingssfeer van de wet te brengen.
6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedaagde op grond van
artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant
in eerste aanleg tot een bedrag van € 322,- aan kosten van
rechtsbijstand en € 9,36 aan reiskosten en in hoger beroep tot een
bedrag van € 322,- aan kosten van rechtsbijstand en € 24,06 aan
reiskosten, in totaal € 677,42. De overige door appellant
gedeclareerde kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 21 december 1999;
Bepaalt dat appellant ook na 28 april 1999 behoort tot de doelgroep als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsw;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een totaal
bedrag van € 677,42, te betalen door de Centrale organisatie werk en
inkomen;
Bepaalt dat de Centrale organisatie werk en inkomen aan appellant het
door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van
in het totaal € 147,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.Th.
Wolleswinkel en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr.
P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op16 juni
2005.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) P.M. Okyay-Bloem.
|
|