|
Uitspraak
03/2666 WSW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de gemeente Utrecht, appellant,
en
de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Op bij beroepschrift aangevoerde gronden is namens appellant hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23
april 2003, nr. SBR 02/1726, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 19 mei 2005, waar namens
appellant zijn verschenen R.J. van der Plaat en mr. E. Voeten, beiden
werkzaam bij appellant, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. H.P.M. Schenkels en J. Zondag, beiden
werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
II. MOTIVERING
1. De Raad merkt in de eerste plaats op dat - nu de aangevallen
uitspraak een beroep betreft tegen een beslissing op een bezwaar tegen
een besluit dat betrekking heeft op toepassing van de Wet Sociale
Werkvoorziening (WSW) met betrekking tot de rijksvergoeding over de
jaren 1995, 1996 en 1997 - ingevolge artikel 17 van de op 1 januari 1998
in werking getreden Wet sociale werkvoorziening (wet van 11 september
1997, Stb. 465) op de behandeling van dit geding het recht van
toepassing blijft zoals dat vóór de genoemde datum van
inwerkingtreding van die wet gold: het bepaalde bij en krachtens de WSW.
2. In de tweede plaats merkt de Raad op dat dit geding, dat aanvankelijk
ten name van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is
gevoerd, in verband met de wijziging van de taakverdeling tussen die
minister en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, is
voortgezet ten name van gedaagde. In voorkomende gevallen wordt hierna
onder gedaagde mede verstaan de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
3. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en
omstandigheden.
3.1. Ten tijde hier van belang heeft er in verband met de uitvoering van
de WSW een relatie bestaan tussen gedaagde en de UW-bedrijven te
Utrecht, een privaatrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in artikel 10
van de WSW. Zo heeft gedaagde over de jaren 1995, 1996 en 1997 aan de
UW-bedrijven de zogenoemde rijksvergoeding toegekend en hebben de
UW-bedrijven over die jaren verantwoording afgelegd aan gedaagde.
3.2. Op basis van de door de UW-bedrijven ingezonden jaarverantwoording
en accountantsverklaring heeft gedaagde bij afzonderlijke beschikkingen
van 13 september 2001 (hierna ook: de beschikkingen) de rijksvergoeding
krachtens de WSW over de genoemde jaren definitief vastgesteld. Daarbij
is telkens op grond van artikel 44 van de WSW bepaald dat een gedeelte
van de rijksvergoeding wordt geweigerd wegens ondoeltreffende uitvoering
van de wet en dat het desbetreffende bedrag zal worden verrekend. De
beschikkingen zijn alle (uitsluitend) gericht aan het Algemeen Bestuur
van de UW-bedrijven.
3.3.1. Namens de UW-bedrijven is tegen de beschikkingen bezwaar gemaakt.
Tijdens de behandeling daarvan heeft gedaagde bij brief van 12 december
2001 appellant - onder bijvoeging van een kopie van de beschikkingen -
in kennis gesteld van dat bezwaar en enkele vragen gesteld, die bij
brief van 28 januari 2002 zijn beantwoord.
3.3.2. Het bezwaar van de UW-bedrijven is niet-ontvankelijk verklaard
bij besluit van 14 maart 2002. In dit besluit is tevens gesteld dat de
beschikkingen hadden moeten zijn gericht aan appellant en niet aan de
UW-bedrijven. “Dit betekent dat het bezwaar voor wat betreft de
adressering gegrond is, de adressering bij dit besluit is aangepast en
wordt geacht te zijn gericht aan de gemeente Utrecht”, aldus het
besluit van 14 maart 2002. In de conclusie van dat besluit is nogmaals
gesteld dat “de primaire besluiten van 13 september 2001 ten onrechte
niet zijn gericht aan de gemeente Utrecht. Dit besluit wordt geacht
hierin te voorzien”. Het besluit is voorzien van de mededeling dat
beroep tegen het besluit kan worden ingesteld bij de rechtbank.
3.4. Gedaagde heeft afschriften van het besluit van 14 maart 2002
gezonden aan burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht en aan
de gemachtigde van de UW-bedrijven. Dat is met zoveel woorden vermeld
onder de geadresseerde van het besluit van 14 maart 2002, het Algemeen
Bestuur van de UW-bedrijven.
3.5. Bij brief van 17 april 2002 is namens appellant aan gedaagde
gevraagd om toezending van de subsidievaststellingen voor de gemeente
Utrecht over de jaren 1995, 1996 en 1997.
3.6. Bij op 22 mei 2002 verzonden brief is namens appellant bezwaar
gemaakt tegen het uitblijven van de gevraagde vaststellingsbesluiten en
is voor inhoudelijk bezwaar verwezen naar hetgeen door de UW-bedrijven
in de onder 3.3.1. bedoelde bezwaarprocedure naar voren is gebracht.
3.7. Bij het bestreden besluit van 4 juli 2002 is dit bezwaar
niet-ontvankelijk verklaard. Gesteld is dat het gaat om de
vaststellingsbeschikkingen van 13 september 2001 en dat deze op de
voorgeschreven wijze aan appellant zijn bekendgemaakt uiterlijk bij het
besluit van 14 maart 2002, zodat het bezwaarschrift niet binnen de
bezwaartermijn van zes weken is ingediend.
4. De rechtbank acht het in de aangevallen uitspraak begrijpelijk dat
appellant aanvankelijk tegen de beschikkingen, die gericht zijn aan het
Algemeen Bestuur van de UW-bedrijven, - mogelijk ook wegens onbekendheid
met de beschikkingen - geen bezwaar heeft gemaakt. Zij is echter van
oordeel dat appellant in ieder geval sedert de brief van 12 december
2001 op de hoogte is van de beschikkingen. Nu appellant de alsdan tot 23
januari 2002 lopende bezwaartermijn heeft laten verlopen en eerst op 22
mei 2002 bezwaar heeft gemaakt, is haars inziens sprake van een niet
verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn van zes weken.
5. Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen. Zijns
inziens is er geen sprake geweest van een deugdelijke bekendmaking van
aan hem gerichte vaststellingsbesluiten, zodat van overschrijding van
een bezwaartermijn geen sprake kan zijn. Subsidiair is hij van mening
dat een eventuele overschrijding van de termijn verschoonbaar is.
6. Gedaagde blijft uitgaan van de beschikkingen van 13 september 2001 en
blijft van opvatting dat appellant daartegen te laat bezwaar heeft
gemaakt. Gewezen is op de brief van 12 december 2001. Voorts is gewezen
op het besluit van 14 maart 2002. Gedaagde is van mening dat via dit
laatste besluit de beschikkingen op de voorgeschreven wijze aan
appellant zijn bekend gemaakt. Daarom had uiterlijk op 25 april 2002 een
bezwaarschrift ingediend moeten zijn.
7. De Raad overweegt het volgende.
7.1. Hij ziet in de vaststellingsbeschikkingen van 13 september 2001
niet de neerslag van een beslissing van gedaagde waarbij appellant een
definitieve aanspraak krijgt op rijksvergoeding voor de uitvoering van
de WSW over de jaren 1995, 1996 en 1997. De Raad wijst daartoe op de
onder 3.1. beschreven relatie tussen gedaagde en (slechts) de
UW-bedrijven en op de adressering en de redactie van de beschikkingen.
Gedaagde heeft zich, zoals in het voortraject, uitsluitend gericht tot
de UW-bedrijven en heeft op basis van de door hen afgelegde
verantwoording aan hen de eindafrekening gezonden. Van besluiten
waartegen appellant een rechtsmiddel had kunnen of moeten aanwenden, is
dan ook geen sprake.
7.2. Dat wordt anders nadat gedaagde het besluit van 14 maart 2002 heeft
genomen. Blijkens de weergave onder 3.3.2. neemt gedaagde dan immers wel
uitdrukkelijk jegens appellant - als zogenoemde primaire besluiten te
kenschetsen - vaststellingsbesluiten. Dat gebeurt overigens op een niet
heldere wijze, immers in de aan de UW-bedrijven gerichte beslissing op
bezwaar en met gebruikmaking van de onder 3.3.2. geciteerde fictie. En
er blijft gebruik gemaakt worden van de beschikkingen, zonder dat de
datum of adressering daarvan worden gewijzigd.
7.3.1. De wijze waarop de nu jegens appellant genomen definitieve
vaststellingsbesluiten zijn bekendgemaakt, is naar het oordeel van de
Raad voor tweeërlei uitleg vatbaar. Inderdaad kan met gedaagde gezegd
worden dat die besluiten door de toezending van het afschrift van het
besluit van 14 maart 2002 in combinatie met de bij de brief van 12
december 2001 gevoegde kopie van de beschikkingen, aan appellant zijn
bekendgemaakt op een wijze die voldoet aan de voorschriften van artikel
3:41 van de Algemene wet bestuursrecht.
7.3.2. Ook echter kan met appellant worden betoogd dat van een
dergelijke bekendmaking geen sprake is, nu immers aan hem slechts
afschrift is gezonden van een beslissing op bezwaar aan het Algemeen
Bestuur van de UW-bedrijven. Daarbij wijst de Raad ook op hetgeen hij
onder 7.2. heeft overwogen over de onduidelijkheid die door gedaagde in
het leven is geroepen. Dat die onduidelijkheid er bij appellant
inderdaad was, blijkt uit het onder 3.5. besproken - binnen een termijn
van zes weken gedane - verzoek van appellant aan gedaagde.
7.3.3. Waar de wijze van bekendmaking van besluiten onder meer van
belang is voor de berekening van de op straffe van
niet-ontvankelijkverklaring in acht te nemen termijn om bezwaar te maken
tegen die besluiten, zal in geval van twijfel niet snel ten nadele van
de belanghebbende bij een besluit mogen worden geoordeeld dat een
deugdelijke bekendmaking heeft plaatsgevonden, met alle gevolgen van
dien. Dat is naar het oordeel van de Raad ook zo in een geval als hier,
waar appellant in een toezending van een afschrift van een besluit dat
aan een ander is gericht in combinatie met een eerder toegezonden kopie
van beschikkingen die aan een ander zijn gericht, niet zonder meer heeft
behoeven te onderkennen als een deugdelijke wijze van bekendmaking van
tot hem gerichte besluiten.
7.4. Omdat gedaagde bij het bestreden besluit dus niet had mogen
concluderen dat de tot appellant gerichte vaststellingsbesluiten op de
voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt, kan dat besluit in rechte geen
stand houden. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij de
niet-ontvankelijkheid van het bezwaar van appellant houdbaar is
geoordeeld, moet worden vernietigd. Gedaagde zal alsnog op het
inhoudelijke bezwaar van appellant moeten beslissen.
8. De Raad is niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 4 juli 2002 gegrond
en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak van de Raad;
Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in
eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal €
566,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.C.F.
Talman en mr. G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.N.
Nijhuis als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2005.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) L.N. Nijhuis.
|
|