|
Uitspraak
04/4327 WSW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het Dagelijks Bestuur van het openbaar lichaam Dethon, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg van 23 juni 2004, nrs.
Awb 04/91, 04/171 VV, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Namens beide partijen zijn nog brieven gestuurd aan de Raad.
Het geding is behandeld ter zitting van 5 januari 2006, waar appellant
in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. C.L. de Koeijer, advocaat
te Terneuzen. Zoals bericht, is gedaagde niet op de zitting aanwezig of
vertegenwoordigd geweest.
II. MOTIVERING
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de
Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.2. Appellant heeft enige jaren behoord tot de doelgroep van de sociale
werkvoorziening. Laatstelijk heeft hij een zogenoemde herindicatie
gekregen tot 5 april 2003. Op advies van de indicatiecommissie heeft
gedaagde bij primair besluit van 4 september 2003 besloten dat appellant
niet langer behoort tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening
(Wsw). Na bezwaar is die beslissing gehandhaafd bij het door appellant
bestreden besluit van 15 januari 2004.
2. Het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is bij de
aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarbij heeft de
voorzieningenrechter gewezen op de conclusie van de bedrijfs-/keuringsarts
van 27 juni 2003 en heeft hij mede in aanmerking genomen dat gedaagdes
standpunt wordt bevestigd door de bedrijfsarts Beket in zijn rapport van
11 juni 2004. Deze arts heeft gerapporteerd naar aanleiding van een
zitting betreffende de behandeling van de tevens door appellant
gevraagde voorlopige voorziening.
3. Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak en
heeft daartoe onder meer gewezen op een, gelet op artikel 10:3, derde
lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bevoegdheidsgebrek bij het
nemen van het bestreden besluit, op onzorgvuldigheden bij de
voorbereiding van het primaire besluit en van het bestreden besluit en
op strijd met de wettelijke voorschriften. In het bijzonder is gesteld
dat in bezwaar geen sprake is geweest van een volledige heroverweging
omdat een deugdelijk (nader) advies van de indicatiecommissie ontbreekt.
4. Met betrekking tot de bevoegdheid tot het nemen van de beslissingen
is er namens gedaagde op gewezen dat hier sprake is van overdracht van
bevoegdheden aan hem en niet van mandaatverlening. Voorts is gesteld dat
de voorbereiding van het primaire besluit heeft plaatsgevonden volgens
de wettelijke voorschriften, dat over de latere inschakeling van de arts
Beket overeenstemming is bereikt tussen partijen en dat deze arts het
door gedaagde ingenomen standpunt ten aanzien de ondergrensindicatie van
appellant ondersteunt.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1. Namens gedaagde, die ten tijde van het nemen van het primaire
besluit en van het bestreden besluit het bestuursorgaan was dat
ingevolge de Wsw, de Gemeenschappelijke regeling openbaar lichaam Dethon
en de Awb bevoegd was tot het nemen van een herindicatiebesluit en tot
het heroverwegen van dat besluit, is zowel het primaire besluit als het
bestreden besluit genomen door de Algemeen directeur. In het derde lid
van artikel 10:3 van de Awb is bepaald dat mandaat tot het beslissen op
een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene die het besluit
waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen. Dit
betekent dat het bestreden besluit in strijd met de genoemde bepaling is
genomen en om die reden niet in stand kan blijven.
5.2.1. Een heroverweging in bezwaar van een beslissing als hier in
geding kan niet licht plaatsvinden zonder dat het bestuursorgaan zich
voor nader advies wendt tot de multidisciplinair samengestelde
indicatiecommissie, waaraan de wetgever een belangrijke rol heeft
toegekend bij het nemen van een (her)indicatiebeslissing. De in bezwaar
namens appellant geuite grieven, mede onderbouwd met een verklaring van
de revalidatiearts A.C. Hagedoorn, waren naar het oordeel van de Raad
van dien aard dat gedaagde het inwinnen van nader advies niet achterwege
had mogen laten. De Raad acht dit gebrek niet geheeld door het advies
van de arts Beket, dat op zichzelf niet onzorgvuldig is tot stand
gekomen, maar dat, gelet op de onderbouwde grieven van appellant,
onderwerp van nadere bespreking had moeten zijn in de
indicatiecommissie, leidend tot een nader advies.
5.2.2. Er zal met inachtneming van deze uitspraak van de Raad opnieuw op
het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit moeten worden
beslist. Daarbij wijst de Raad erop dat deze uitspraak niet reeds
inhoudt dat appellant aanspraak heeft op een herindicatie.
5.2.3. De Raad vertrouwt erop dat gedaagde de noodzakelijke stukken
spoedig ter hand zal stellen van de Raad van bestuur van de Centrale
organisatie werk en inkomen, bij welk bestuursorgaan ingevolge de wet
van 30 juni 2004, Stb. 325, inmiddels de bevoegdheid berust tot het
nemen van een beslissing tot (her)indicatie en dus ook tot het nemen van
een beslissing op bezwaar daartegen. Het in dit verband door gedaagde
genoemde artikel 17 van de Wsw heeft voor de onderhavige zaak geen
betekenis, omdat in dat artikel slechts overgangsrecht is geregeld
betreffende de overgang in 1998 van de oude Wet Sociale Werkvoorziening
naar de nieuwe Wsw.
6. In het bovenstaande ziet de Raad aanleiding gedaagde te veroordelen
in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van €
644,- aan kosten van rechtsbijstand en van € 13,88 aan reiskosten, en
in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van
rechtsbijstand en van € 42,68 aan reiskosten, in totaal dus tot een
bedrag van € 1.344,56.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond
en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat een nieuwe beslissing moet worden genomen op het bezwaar van
appellant tegen het besluit van 4 september 2003;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 1.344,56, te betalen door het openbaar lichaam Dethon aan de
griffier van de Raad;
Bepaalt dat het openbaar lichaam Dethon aan appellant het door hem in
eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal €
133,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A.
Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr.
B. van Zoelen-Altunc als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2
februari 2006.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) B. van Zoelen-Altunc.
|
|