|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/3045 WSW en 05/3796 WSW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 27 april 2005,
04/1341 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna:
CWI), als rechtsopvolger van het bestuur van de Gemeenschappelijke
Regeling Vixia (hierna: Vixia).
Datum uitspraak: 8 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Vixia heeft een verweerschrift ingediend.
Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft Vixia op 10 juni 2005
een nieuw besluit op bezwaar genomen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2005.
Appellant is verschenen. Vixia is, zoals aangekondigd, niet verschenen.
Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend. Hij heeft aan Vixia
en CWI schriftelijk enkele vragen gesteld. Vervolgens zijn diverse
stukken ingebracht, waaronder het door CWI genomen nadere besluit
gedateerd 10 maart 2006.
Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 27 april 2006. Appellant is
verschenen. CWI heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Ibrahim
en arbeidsdeskundige A.S.E. Hartman, beiden werkzaam bij CWI.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang
zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen
uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
2. Met ingang van 1 april 2005 treedt in dit geding, waarin een
zogenoemde indicatie sociale werkvoorziening aan de orde is, krachtens
de Wet van 30 juni 2004, houdende wijziging van onder andere de Wet
sociale werkvoorziening (Wsw), Stb. 2004, 325, de Raad van bestuur van
CWI in de plaats van het bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling
Vixia.
3. Appellant heeft op 6 juni 2001 een aanvraag ingediend om in
aanmerking te komen voor een indicatie op grond van de Wsw.
3.1. Bij besluit van 18 december 2001 heeft Vixia - overeenkomstig het
advies van de indicatiecommissie - beslist dat appellant behoort tot de
doelgroep van de Wsw, dat bij het verrichten van werkzaamheden rekening
zal moeten worden gehouden met een aantal maatregelen en voorzieningen,
waaronder aanpassing van de werktijd tot maximaal halve dagen, dat
appellant niet in aanmerking komt voor een scholingstraject en dat hij
is ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie ’ernstig’. Vixia heeft
dat besluit, na bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 15 maart 2002.
3.2. De Raad heeft bij uitspraak van 6 mei 2004 de uitspraak van de
rechtbank van 29 juli 2003, waarbij het beroep tegen het besluit van 15
maart 2002 ongegrond is verklaard, vernietigd evenals het besluit van 15
maart 2002 en Vixia opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen. Daarbij
heeft de Raad overwogen dat Vixia op goede gronden heeft geoordeeld dat
appellant niet in aanmerking komt voor een scholingstraject, maar dat de
beslissing dat appellant maximaal halve dagen mag werken alsmede de
beslissing dat appellant moet worden ingedeeld in de
arbeidshandicapcategorie ’ernstig’ niet draagkrachtig zijn
gemotiveerd.
3.3. Ter uitvoering van ’s Raads uitspraak heeft Vixia bij besluit van
30 juni 2004 onder meer beslist dat de beperking in werktijd komt te
vervallen en appellant dus hele dagen kan werken, dat appellant in
aanmerking komt voor een scholingstraject en dat hij is ingedeeld in de
arbeidshandicapcategorie ’matig’.
3.4. Nadat appellant daartegen bezwaar heeft gemaakt is het besluit van
30 juni 2004, voorzover het de beperking in werktijd en indeling in de
arbeidscategorie betreft door Vixia gehandhaafd bij besluit van 12
november 2004. Bij dit besluit van 12 november 2004 heeft Vixia tevens
beslist dat appellant in tegenstelling tot hetgeen in het besluit van
30 juni 2004 staat vermeld niet in aanmerking komt voor een
scholingstraject.
4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - voorzover hier van
belang - het beroep tegen het besluit van 12 november 2004 gegrond
verklaard, dat besluit vernietigd en Vixia opdracht gegeven een nieuw
besluit op het bezwaar van appellant te nemen.
De rechtbank acht de beslissing dat appellant niet in aanmerking komt
voor een scholingstraject in strijd met het verbod van reformatio in
peius, nu appellant bij besluit van 30 juni 2004 daarvoor wel in
aanmerking werd gebracht. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de
beslissing dat appellant hele dagen moet kunnen werken en de beslissing
om appellant in te delen in de arbeidshandicapcategorie ‘matig’ niet
draagkrachtig zijn gemotiveerd.
5. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft Vixia bij het in
rubriek I genoemde besluit van 10 juni 2005 wederom beslist, dat de
beperking in werktijd komt te vervallen en dat appellant dus hele dagen
kan werken, dat appellant is ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie
‘matig’ en dat hij in aanmerking komt voor een scholingstraject,
maar nu onder aanvulling van de motivering.
6. Vervolgens heeft CWI naar aanleiding van door de Raad in verband met
de besluitvorming van Vixia gestelde vragen, op 10 maart 2006 een nader
besluit genomen, inhoudende dat appellant hele dagen kan werken, dat
appellant in aanmerking komt voor een scholingstraject en dat appellant
ingedeeld moet worden in de arbeidshandicapcategorie ’ernstig’.
7. Appellant is in hoger beroep onverminderd van opvatting gebleven dat
zijn plaatsing in een dienstbetrekking in het kader van de sociale
werkvoorziening gerealiseerd moet worden. Tevens heeft hij verzocht
Vixia dan wel CWI te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden
schade.
8. De Raad overweegt als volgt.
8.1. De Raad stelt allereerst vast dat het geding in hoger beroep zich
op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede
tot het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van
10 juni 2005 van Vixia uitstrekt.
8.2. Uit hetgeen hiervoor onder 2. is overwogen volgt dat de rechtbank
niet Vixia, maar CWI opdracht had moeten geven ter uitvoering van de
aangevallen uitspraak een nader besluit te nemen. Derhalve dient de
aangevallen uitspraak voor wat betreft de daarin gegeven opdracht te
worden vernietigd. Ook het nadere besluit van 10 juni 2005 dient, nu het
ten onrechte door Vixia is genomen, te worden vernietigd.
8.3. Met betrekking tot het besluit van 10 maart 2006 van CWI overweegt
de Raad dat, voorzover daarin is beslist dat appellant hele dagen mag
werken en in aanmerking komt voor een scholingstraject, hiermee volledig
tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant.
8.4. Voorzover in dat besluit van 10 maart 2006 is beslist dat appellant
is ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie ’ernstig’, stelt de Raad
vast dat het geding in hoger beroep zich mede tot deze beslissing
uitstrekt, nu hiermee niet volledig is tegemoetgekomen aan de bezwaren
van appellant.
8.5. De Raad stelt voorts vast dat dit gedeelte van het besluit van 10
maart 2006 afwijkt van het besluit van 12 november 2004, waarin
appellant is ingedeeld in arbeidshandicapcategorie ’matig’. Zoals
ook ter zitting door de arbeidsdeskundige van CWI is bevestigd vloeit
deze aanduiding in het geval van appellant voort uit de zogenoemde
beslisboom indicatie WSW, maar is dit onderscheid evenwel in het licht
van appellants (grief met betrekking tot zijn) plaatsingsmogelijkheden
niet relevant.
8.6. Ten aanzien van appellants belangrijkste grief dat zijn plaatsing
in een dienstbetrekking in het kader van de sociale werkvoorziening nu
eens eindelijk gerealiseerd moet worden, merkt de Raad op dat een
oordeel daarover buiten de omvang van het onderhavige geding valt. Deze
grief heeft immers geen betrekking op de indicatiestelling die in het
onderhavige geding aan de orde is.
8.7. Ook het verzoek van appellant om schadevergoeding blijft als
vallend buiten de omvang van het geding hier buiten bespreking,
aangezien de door hem beweerdelijk geleden schade voortvloeit uit het
feit dat hij niet geplaatst is in het kader van de sociale
werkvoorziening en derhalve geen verband houdt met het in dit geding aan
de orde zijnde indicatiebesluit.
9. Gezien het vorenstaande is er geen sprake van procesbelang bij een
oordeel over de rechtmatigheid van het besluit van 10 maart 2006. Dit
betekent dat appellants beroep, voorzover dat geacht moet worden te zijn
gericht tegen dat besluit, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
10. De Raad acht termen aanwezig om CWI met toepassing van artikel 8:75
van de Awb inzake proceskosten te veroordelen in de proceskosten van
appellant ten bedrage van
€ 7,86 in eerste aanleg en € 76,92 in hoger beroep in verband met
door appellant gemaakte reiskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij aan Vixia
opdracht is gegeven een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van
appellant;
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor het
overige;
Verklaart het beroep, voorzover dit geacht moet worden te zijn gericht
tegen het besluit van 10 juni 2005 van Vixia, gegrond;
Vernietigt het besluit van 10 juni 2005 van Vixia;
Verklaart het beroep, voorzover dit geacht moet worden te zijn gericht
tegen het besluit van CWI van 10 maart 2006, niet-ontvankelijk;
Veroordeelt het CWI tot vergoeding van € 84,78 aan appellant in
verband met reiskosten;
Bepaalt dat CWI aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde
griffierecht van in totaal € 103,00 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter
en R. Kooper en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 8 juni 2006.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) O.C. Boute.
|
|