|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/1846 WSW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 maart 2005, 04/607
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen, als
rechtsopvolger van het Dagelijks bestuur van het Werkvoorzieningschap
Oostelijk Zuid-Limburg (hierna: Raad van Bestuur).
Datum uitspraak: 8 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
De Raad van Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2006.
Appellante is niet verschenen. De Raad van Bestuur heeft zich laten
vertegenwoordigen door mr. J.J.A. Huisman, werkzaam bij de Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI).
II. OVERWEGINGEN
1. Met ingang van 1 april 2005 treedt in dit geding, waarin een
indicatie sociale werkvoorziening aan de orde is, krachtens de Wet van
30 juni 2004, houdende wijziging van onder andere de Wet sociale
werkvoorziening (Wsw), Stb. 2004, 325, de Raad van Bestuur van de CWI in
de plaats van het Dagelijks Bestuur van het Werkvoorzieningschap
Oostelijk Zuid-Limburg. Waar in deze uitspraak sprake is van de Raad van
Bestuur, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan het
Dagelijks Bestuur van voornoemd werkvoorzieningschap.
1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang
zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen
uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.2. Appellante heeft, afgewisseld met periodes van werkloosheid,
werkzaamheden in het vrije bedrijf verricht als onder andere
schoonmaakster en laatstelijk als taxichauffeur. In deze laatste
werkzaamheden is zij uitgevallen met lichamelijke en psychische
klachten.
1.3. In juni 2003 heeft appellante door middel van een
sollicitatieformulier verzocht in aanmerking te komen voor plaatsing in
het kader van de Wsw. Na advies van de zogenoemde indicatiecommissie
heeft de Raad van Bestuur bij besluit van 8 oktober 2003 vastgesteld dat
appellante niet behoort tot de doelgroep van de Wsw, omdat zij ondanks
haar beperkingen in staat wordt geacht passende arbeid te verrichten in
een normale werkomgeving.
De Raad van Bestuur heeft dit besluit, na bezwaar, gehandhaafd bij het
bestreden besluit van 19 maart 2004.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen laatstgenoemd besluit bij de
aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe
overwogen dat het advies dat ten grondslag is gelegd aan het bestreden
besluit gebaseerd is op zorgvuldig onderzoek, dat namens appellante noch
in bezwaar, noch in beroep gegevens zijn aangedragen die aanleiding
geven tot twijfel aan de resultaten van het uitgevoerde onderzoek en dat
de Raad van Bestuur daarom dat advies heeft kunnen en mogen volgen.
3. Namens appellante is, evenals in bezwaar en in beroep, in hoger
beroep aangevoerd dat appellante van mening blijft dat zij vanwege haar
dubbele problematiek, te weten een combinatie van lichamelijke en
psychische beperkingen, alsmede geringe opleiding en ervaring niet meer
in staat is om op de vrije arbeidsmarkt te werken. Voorts mag het
volgens appellante geen verschil uitmaken dat haar psychische
beperkingen reactief bepaald zijn en in stand worden gehouden door de
omstandigheden waarin zij verkeert; dat doet immers niet af aan het
bestaan ervan. Appellante meent voorts dat de wijze van beoordeling door
de indicatiecommissie niet te volgen is.
In de loop van de procedure in hoger beroep is namens appellante, onder
bijvoeging van een brief van haar behandelend specialist, nog aangevoerd
dat in het beperkingenpatroon onvoldoende rekening is gehouden met haar
knieproblematiek.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak met vermelding van
de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften de stappen
uiteengezet waarlangs de indicatiecommissie tot haar advies is gekomen.
Blijkens de gedingstukken is naar aanleiding van het
sollicitatieformulier een intakerapport opgesteld, waarna een medisch
onderzoek is uitgevoerd door de sociaal geneeskundige van de GGD. De bij
dat onderzoek geconstateerde beperkingen zijn vastgelegd in een
zogenoemd potentieelprofiel. Vervolgens heeft de indicatiecommissie het
zogenoemde intakeprofiel vastgesteld en aan de hand daarvan volgens een
voorgeschreven beslistabel na weging geconcludeerd dat appellante niet
behoort tot de doelgroep van de Wsw omdat zij in staat moet worden
geacht passende arbeid onder normale omstandigheden te verrichten, welk
advies is overgenomen en heeft geleid tot het besluit van 8 oktober
2003.
Voorts bevat het dossier de gegevens van UWV-GAK met betrekking tot de
beoordeling van haar WAO-claim.
Naar aanleiding van het bezwaarschrift is nog een psychologisch
onderzoek uitgevoerd hetgeen heeft geleid tot een gewijzigd
intakeprofiel, waarbij tevens nog rekening is gehouden met beperkingen
voortvloeiend uit knieklachten. Dit heeft evenwel niet geleid tot een
andere uitkomst.
4.2. De Raad onderschrijft het standpunt van de Raad van Bestuur dat
sprake is van zorgvuldig onderzoek en dat appellante geen gegevens heeft
aangedragen die twijfel doen rijzen aan de uitkomsten van de uitgevoerde
onderzoeken en de daaraan verbonden conclusies. Ook de Raad is daarom
van oordeel dat de Raad van Bestuur dit advies heeft mogen volgen.
4.3. Naar aanleiding van de stelling van appellante dat de betekenis van
de psychische beperkingen is onderschat, merkt de Raad op dat vaststaat
dat er geen sprake is van psychische ziekte en voorts dat uit het
aangepaste intakeprofiel blijkt dat rekening is gehouden met een
geringere psychische belastbaarheid.
4.4. Naar aanleiding van de in hoger beroep herhaalde stelling dat
appellante als gevolg van de dubbele problematiek van haar lichamelijke
en psychische beperkingen, in combinatie met onvoldoende beheersing van
de Nederlandse taal, niet in staat is te werken op de vrije
arbeidsmarkt, merkt de Raad allereerst op dat uit de gedingstukken naar
voren komt dat appellante voldoende taalvaardigheid bezit. Voorts merkt
de Raad op dat deze stelling een inschatting betreft die niet met nadere
gegevens is onderbouwd en daarom het na afweging door deskundigen tot
stand gekomen advies van de indicatiecommissie niet vermag aan te
tasten. Wat betreft de stelling dat appellante kansloos is op de vrije
arbeidsmarkt overweegt de Raad dat, daargelaten of die stelling juist
is, zulks een werkloosheidsprobleem vormt en niet betekent dat
appellante uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige
arbeid in staat zou zijn en daarom tot de Wsw-doelgroep zou behoren.
4.5. Met betrekking tot de in hoger beroep nog ingestuurde medische
verklaring met betrekking tot haar knieklachten merkt de Raad op dat
deze verklaring betrekking heeft op de situatie in 2005 en reeds daarom
niet kan afdoen aan de juistheid van de aangevallen uitspraak en het
bestreden besluit.
5. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te
worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter
en R. Kooper en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 8 juni 2006.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) O.C. Boute.
|
|