|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/2084 WSW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 25 februari 2005, 03/1712
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen, als
rechtsopvolger van de Raad van de gemeente Tilburg, (hierna: CWI).
Datum uitspraak: 1 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. Heek, verbonden aan SRK Rechtsbijstand te
Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
De CWI heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2006.
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. I.T. Martens, verbonden aan
SRK Rechtsbijstand. De CWI heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.
R.L.N. Ibrahim, werkzaam bij de CWI.
II. OVERWEGINGEN
1. Met ingang van 1 april 2005 treedt in dit geding, waarin een
zogenoemde indicatie sociale werkvoorziening aan de orde is, krachtens
de Wet van 30 juni 2004, houdende wijziging van onder andere de Wet
sociale werkvoorziening (Wsw), Stb. 2004, 325, de CWI in de plaats van de
Raad van de gemeente Tilburg. Waar in deze uitspraak sprake is van de
CWI, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan die
gemeenteraad.
2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de
Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2.1. Appellant heeft van 1966 tot 2002 gewerkt bij verscheidene
werkgevers. De langste periode, van 1970 tot 1998, is appellant werkzaam
geweest bij Rexon Glasindustrie. Na een reorganisatie is appellant daar
ontslagen. Hierna heeft appellant nog enkele tijdelijke contracten gehad
bij een viertal werkgevers.
2.2. In september 2002 heeft appellant een verzoek gedaan tot toelating
tot een Wsw-voorziening. Dit verzoek is overeenkomstig het advies van de
Wsw-indicatiecommissie Midden-Brabant bij besluit van 6 december 2002
afgewezen, welk besluit na bezwaar bij het bestreden besluit van 27 juni
2003 is gehandhaafd.
2.3. Het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is door de
rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het bestreden besluit
genomen is in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) en voorts dat hij ten onrechte niet is toegelaten
tot de doelgroep van de Wsw.
4. De CWI heeft het standpunt ingenomen dat appellant weliswaar
beperkingen heeft, maar dat deze niet zodanig zijn dat deze uitsluitend
met behulp van Wsw-voorzieningen kunnen worden gecompenseerd.
5. De Raad overweegt het volgende.
5.1.1. Uit het door de CWI aan de rechtbank overgelegde raadsbesluit van
8 december 1997 blijkt dat de gemeenteraad van Tilburg de bevoegdheid om
te beslissen op een verzoek om toelating tot een Wsw-voorziening heeft
gemandateerd aan de voorzitter van de Bestuurscommissie DSW en de
bevoegdheid om te beslissen op een bezwaarschrift betreffende een
Wsw-indicatie heeft gemandateerd aan de Bestuurscommissie DSW.
5.1.2. De besluiten van 6 december 2002 en van 27 juni 2003 zijn, zoals
blijkt uit het ondertekeningsblok van deze besluiten, in overeenstemming
hiermee genomen door de voorzitter van de Bestuurscommissie DSW,
respectievelijk de Bestuurscommissie DSW.
Dat de voorzitter van de Bestuurscommissie DSW, samen met de secretaris,
het bestreden besluit van de Bestuurscommissie DSW heeft ondertekend
maakt dit niet anders. Tot die ondertekening was de voorzitter uit
hoofde van zijn functie als organiek vertegenwoordiger van de
Bestuurscommissie DSW bevoegd en in het besluit is duidelijk tot
uitdrukking gebracht dat het door de Bestuurscommissie DSW zelf is
genomen. Aangezien het bestreden besluit niet in mandaat is genomen door
de voorzitter van de DSW, die het primaire besluit in mandaat heeft
genomen, is er geen strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Awb. De
rechtbank is in haar uitspraak op juiste gronden tot dezelfde conclusie
gekomen.
5.2.1. In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsw is
bepaald dat onder de doelgroep wordt verstaan: personen jonger dan 65
jaar, die door lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen
uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in
staat zijn. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van het
Besluit indicatie sociale werkvoorziening dient de indicatiecommissie te
onderzoeken welke voorzieningen of maatregelen voor de betrokkene
noodzakelijk zijn en of deze binnen redelijke grenzen in een normale
arbeidsomgeving kunnen worden gerealiseerd.
5.2.2. De indicatiecommissie heeft in haar advies omtrent appellant
gerapporteerd dat er weliswaar beperkingen zijn, maar dat deze
beperkingen niet zodanig zijn dat deze uitsluitend met behulp van
Wsw-voorzieningen kunnen worden gecompenseerd.
5.2.3. De Raad is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de
beperkingen van appellant in het advies van de indicatiecommissie op
onjuiste wijze zijn omschreven. De beperkingen zijn vastgesteld mede op
basis van een rapport van de psycholoog drs. E.D. Wassenaar, dat in het kader van het door de indicatiecommissie
verrichte onderzoek is opgesteld. Door appellant is ter zitting wel
gesteld dat zijn beperkingen zwaarder zijn dan uit dit rapport blijkt,
maar hij heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Het door appellant nog in
het geding gebrachte rapport van 23 januari 2006 van de neuropsycholoog
drs. J.A.C. van Gils, dat is uitgebracht in het kader van een hernieuwde
aanvraag van appellant, kan niet tot een ander oordeel leiden. De hierin
beschreven beperkingen van appellant en de voor hem noodzakelijk geachte
aanpassingen met betrekking tot het werk, zijn geen wezenlijk andere dan
die welke in het indicatieadvies van 2002 zijn genoemd.
5.2.4. De Raad heeft, evenals de rechtbank blijkens de aangevallen
uitspraak, geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt
van de CWI dat de voor appellant noodzakelijke maatregelen en
voorzieningen ook realiseerbaar zijn in een normale arbeidsomgeving. De
omstandigheid dat appellant gedurende een groot aantal jaren onder
enigszins aangepaste werkomstandigheden in het normale bedrijfsleven
heeft kunnen functioneren wijst er niet op dat zulks nu bij voorbaat
uitgesloten zou zijn. Dat appellant door de CWI is ingedeeld in fase 3,
de categorie “moeilijk bemiddelbaar”, geeft op zichzelf ook niet aan
dat appellant niet plaatsbaar zou zijn in een normaal bedrijf. De
indicatiecommissie heeft haar advies, ook toen haar de plaatsing van
appellant in fase 3 duidelijk werd, uitdrukkelijk gehandhaafd.
Nu de wetgever aan de multidisciplinair samengestelde indicatiecommissie
een belangrijke rol heeft toegekend bij het nemen van een
indicatiebeslissing en er geen reden is om te oordelen dat het advies
van die commissie onzorgvuldig tot stand is gekomen of inhoudelijk
onjuist is, heeft de CWI het advies dat appellant niet tot de doelgroep
van de Wsw behoort op goede gronden overgenomen.
6. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het beroep van appellant
terecht ongegrond heeft verklaard.
7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en R.
Kooper en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni
2006.
(get.) J.Th. Wolleswinkel.
(get.) O.C. Boute.
|
|