|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/486
WSW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 24 december 2004,
03/218 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
het Werkvoorzieningschap Fryslân-West (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 17 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2006.
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.P.M. Schenkels
en J. Zondag, beiden werkzaam bij het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.
A.H. van der Wal, advocaat te Leeuwarden.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de
Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 26 september 2002 heeft appellant de voor het jaar
2000 aan betrokkene toekomende subsidie op grond van de Wet sociale
werkvoorziening (Wsw) vastgesteld. Daarbij is, voorzover thans nog van
belang, een vermindering van € 40.000,- toegepast wegens
overschrijding van de termijn voor herindicatie in een aantal gevallen.
1.2. Bij het bestreden besluit van 27 januari 2003 is deze vaststelling
na bezwaar gehandhaafd, met dien verstande dat het bedrag van de
vermindering nader is bepaald op € 30.927,-.
1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van
betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en
bepalingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht. De rechtbank
heeft daartoe overwogen dat voor de toegepaste vermindering geen
genoegzame wettelijke grondslag aanwezig was.
2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt
de Raad als volgt.
2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wsw verstrekt het Rijk aan
de gemeente een subsidie voor - kort gezegd - de uitvoering van de
sociale werkvoorziening. In artikel 8, derde lid, is bepaald dat de
hoogte van de subsidie, overeenkomstig bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur (AMvB) gestelde regels, wordt bepaald aan de hand
van - onder meer - een door appellant voor elke gemeente vast te stellen
aantal dienstbetrekkingen op basis van een volledige werkweek dan wel
arbeidsovereenkomsten op grond van artikel 7, alsmede een door de
Minister jaarlijks vast te stellen bedrag per arbeidsovereenkomst en per
dienstbetrekking.
2.2. In artikel 9, eerste lid, van de Wsw is bepaald dat appellant na
afloop van het jaar de subsidie vaststelt. De vastgestelde subsidie kan
van de verleende subsidie afwijken, voor zover:
a. de som van de producten van het, op basis van een volledige werkweek
berekende, aantal in dat jaar gerealiseerde arbeidsjaren uit
dienstbetrekkingen en arbeidsovereenkomsten als bedoeld in de
hoofdstukken 2 en 3 in elke arbeidshandicapcategorie en het bij die
arbeidshandicapcategorie behorende bedrag als bedoeld in artikel 8,
derde lid, minder bedraagt dan de verleende subsidie;
b. (...);
c. het gemeentebestuur niet handelt in overeenstemming met de bij of
krachtens deze wet gestelde regels (...);
d. (...).
Ingevolge artikel 9, derde lid, worden bij of krachtens AMvB regels
gesteld voor de subsidievaststelling en de gevolgen daarvan voor de
subsidieverlening voor de komende jaren.
2.3. Op grond van het verhandelde ter zitting moet ervan worden
uitgegaan dat appellant de in geding zijnde vermindering van het
subsidiebedrag heeft doen steunen op het bepaalde in artikel 9, eerste
lid, aanhef en onder a, van de Wsw. De vermindering is toegepast omdat
voor een aantal door betrokkene te werk gestelde personen de
geldigheidsduur van de indicatiebeschikking is verstreken zonder dat
tijdig in herindicatie is voorzien. Deze personen hebben dus gedurende
enige tijd zonder geldige indicatie gewerkt en de op deze wijze
verrichte arbeid is door appellant bij de subsidievaststelling buiten
beschouwing gelaten.
2.4. Aan de toepassing van de "a-grond" ligt de opvatting van
appellant ten grondslag - welke ook is neergelegd in de toelichting op de Beleidsregels
vaststelling subsidie Wet sociale werkvoorziening voor het jaar 2000 (Stcrt.
2000, 192) - dat Wsw-dienstbetrekkingen en arbeidsovereenkomsten alleen
als zodanig worden aangemerkt wanneer zij voldoen aan de wettelijke
voorwaarden en dat dit laatste niet het geval is indien het gaat om een
persoon die niet behoort tot de doelgroep van de Wsw of van wie dit niet
door middel van de in de Wsw voorziene (her)indicatie is vastgesteld.
Wanneer wordt vastgesteld dat een persoon ten onrechte op een
Wsw-dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst werkzaam is, omdat niet is
vastgesteld dat hij tot de Wsw-doelgroep behoort, kan alsnog worden
onderzocht of aan de doelgroepcriteria wordt voldaan. Indien dit het
geval is, komt zo'n dienstbetrekking in aanmerking voor subsidie zodra
de Wsw-indicatie is gesteld. Subsidiëring met terugwerkende kracht is
niet mogelijk, aldus de toelichting.
2.5. Naar het oordeel van de Raad getuigt de hiervóór weergegeven
opvatting van appellant niet van een onjuiste wetsuitleg. Daarbij is in
aanmerking genomen dat in het stelsel van de Wsw - zoals dit met name
tot uitdrukking komt in de artikelen 2, 7 en 11 van die wet - het
behoren tot de doelgroep van de Wsw een voorwaarde is om van uitvoering
van de sociale werkvoorziening te kunnen spreken en (her)indicatie het
aangewezen middel is om vast te stellen of iemand tot die doelgroep
behoort. Appellant mocht zich dan ook op het standpunt stellen dat
arbeid die is verricht door personen die niet over een geldige
(her)indicatie beschikken niet meetelt bij de berekening van de in het
subsidiejaar 2000 gerealiseerde arbeidsjaren, als in artikel 9, eerste
lid, aanhef en onder a, van de Wsw bedoeld.
2.6. Voor haar oordeel dat geen sprake is van een genoegzame wettelijke
grondslag heeft de rechtbank doorslaggevende betekenis toegekend aan de
omstandigheid dat, hoewel artikel 9, derde lid, van de Wsw dwingend
voorschrijft dat de subsidievaststelling bij of krachtens een AMvB wordt
geregeld, ten tijde hier in geding geen AMvB van kracht was met regels
over de bij subsidievaststelling aan niet-tijdige herindicering te
verbinden gevolgen. De Raad is evenwel met appellant van oordeel dat
(nadere) regels zoals door de rechtbank bedoeld niet nodig zijn in een
geval als hier aan de orde, waarin artikel 9, eerste lid, aanhef en
onder a, van de Wsw zelf reeds een toereikende grondslag biedt om bij de
vaststelling van de subsidie een vermindering toe te passen. Uit de
geschiedenis van de totstandkoming van artikel 9, derde lid, van de Wsw
komt ook naar voren dat de in dat artikellid bedoelde AMvB met name
dient om invulling te geven aan de thans in artikel 9, eerste lid,
aanhef en onder c, neergelegde verminderingsgrond, het niet handelen in
overeenstemming met wettelijke bepalingen, welke c-grond minder
eenvoudig dan de a-grond gerelateerd kan worden aan prestaties en "teveel betaalde
bedragen" (Kamerstukken II 1995-1996, 24 787, nr. 3, p. 57).
2.6.1. Onder deze omstandigheden kan evenmin de zienswijze van de
rechtbank worden onderschreven dat is volstaan met beleidsregels waar
een AMvB was vereist.
2.6.2. Opmerking verdient nog dat ten tijde hier van belang in het
Besluit financieel verdeelmodel sociale werkvoorziening (Stb 1997, 468)
regels waren gesteld omtrent de berekening van de subsidie als bedoeld
in artikel 8 van de Wsw, alsmede omtrent de vaststelling van de subsidie
als zodanig en de mogelijkheid van terugvordering of verrekening van
hetgeen blijkens die vaststelling teveel is betaald. Op grond daarvan
was toepassing van de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a,
voorgeschreven berekeningswijze zonder meer mogelijk.
2.7. Het hoger beroep treft dus doel. De Raad zal de zaak zelf afdoen.
2.8. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is niet in
geschil dat het bij het bestreden besluit vastgestelde bedrag van de
vermindering overeenkomt met de bij en krachtens de wet te berekenen
waarde van de zonder geldige indicatie verrichte werkzaamheden en
derhalve op juiste wijze is vastgesteld.
2.9. De stelling van betrokkene dat hier sprake is van een punitieve
sanctie, waarvoor de vereiste wettelijke grondslag ontbreekt, gaat niet
op. Blijkens het hiervóór overwogene gaat het (slechts) om het bij de
vaststelling van de subsidie buiten beschouwing laten van werkzaamheden
die niet voldoen aan een wezenlijk kenmerk van de activiteiten waarvoor
indertijd de subsidie is verleend. Bovendien is voor het verlaagd
vaststellen van de subsidie wel degelijk een wettelijke grondslag aan te
wijzen, te weten het meergenoemde artikel 9, eerste lid, aanhef en onder
a, van de Wsw.
2.10. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan evenmin slagen. Het door
betrokkene genoemde geval Kollum is niet met het geval van betrokkene op
één lijn te stellen nu - blijkens de door appellant ter zitting gegeven toelichting - in Kollum
sprake was van vertraging bij de herindicering als gevolg van een
afwijkende opvatting bij de onafhankelijke indicatiecommissie met
betrekking tot de samenstelling van de dossiers. Niet ten onrechte heeft
appellant zich op het standpunt gesteld dat dit een vorm van overmacht
opleverde, maar dat de door betrokkene aangevoerde fusieperikelen,
waardoor onvoldoende tijd overbleef om voor tijdige herindicatie zorg te
dragen, voor rekening van betrokkene dienen te blijven.
2.11. Dat uiteindelijk voor alle betrokken personen een herindicatie is
afgegeven, is onvoldoende om te oordelen dat appellant niet mocht
vasthouden aan het uitgangspunt dat aan herindicaties geen terugwerkende
kracht kan worden verleend.
2.12. Hetgeen overigens door betrokkene naar voren is gebracht, leidt
evenmin tot het oordeel dat appellant niet in redelijkheid tot het
bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel anderszins heeft gehandeld
in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een
algemeen rechtsbeginsel.
2.13. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor vernietiging in
aanmerking en het beroep van betrokkene dient alsnog ongegrond te worden
verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R.
Kooper en J.L.P.G. van Thiel als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 17 augustus 2006.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) P.W.J. Hospel.
|
|