|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/1787
WSW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 25 februari 2005, 04/941
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda
(hierna: College).
Datum uitspraak: 31 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen
(hierna: Raad van bestuur) is een verweerschrift ingediend.
De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2006.
Appellant is verschenen. De Raad van bestuur heeft zich laten
vertegenwoordigen door N. Acchiba en mr. C.C. Faviez, beiden werkzaam
bij de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: CWI). Het College
heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 4 maart 2004 heeft het College met overneming van het
advies van de Indicatiecommissie beslist dat appellant tot de doelgroep
van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) behoort, dat hij wordt
ingedeeld in arbeidshandicapcategorie zwaar, dat hij niet geïndiceerd
is voor een scholingstraject en dat hij niet in aanmerking komt voor
begeleid werken.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit voorzover inhoudend
dat hij niet in aanmerking komt voor begeleid werken. Bij het bestreden
besluit van 29 april 2004 heeft het College overeenkomstig het advies
van de bezwarencommissie zijn eerdere besluit gehandhaafd. Daarbij is
overwogen dat bij appellant sprake is van psychische klachten die
zodanig ernstig zijn dat begeleid werken niet aan de orde is.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen dit besluit bij de
aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat slechts één van de
vier leden van de Indicatiecommissie met hem gesproken heeft. Hij acht
het standpunt van de Indicatiecommissie getuigen van onverschilligheid
en onzorgvuldigheid, omdat de commissie kon weten dat hij dat standpunt
op grond van ervaringen in het verleden nooit zou kunnen accepteren.
Blijkens de uitspraak acht de rechtbank de conclusie van de
Indicatiecommissie echter kennelijk boven alle twijfel verheven.
Appellant acht het besluit voorts onrechtvaardig omdat daardoor zodanige
obstakels worden opgeworpen dat hij aan geen enkel arbeidsproces kan
deelnemen.
4. In het verweerschrift concludeert de CWI tot handhaving van het
bestreden besluit.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1. Namens het College is bij brief van 29 maart 2005 aan de Raad
meegedeeld dat als gevolg van de overgang van de indicering voor de Wsw
van de gemeenten naar de CWI, lopende zaken die op 1 april 2005 nog niet
zijn afgerond, evenals bezwaar- en beroepsprocedures, worden
overgedragen aan de CWI in de stand waarin zij zich dan bevinden. In
verband daarmee is de CWI in kennis gesteld van het hoger beroep en is
het dossier van appellant overgedragen aan de CWI.
5.2. Artikel 11 van de Wsw luidde, voorzover van belang, tot 1 januari
2005 als volgt:
1. Het gemeentebestuur stelt van personen, die voor indicatie zijn
aangemeld dan wel die zich daartoe hebben aangemeld, gehoord de
commissie, bedoeld in artikel 12, bij beschikking vast:
(...)
d. of de betrokkene in aanmerking komt voor toepassing van hoofdstuk 3;
(...)
5.3. Artikel 11 van de Wsw luidt, voorzover van belang, met ingang van 1
januari 2005:
1. De Centrale organisatie werk en inkomen stelt van personen, die voor
indicatie zijn aangemeld dan wel die zich daartoe hebben aangemeld bij
beschikking vast:
a. of deze behoren tot de doelgroep;
b. nadat is vastgesteld dat een persoon tot de doelgroep behoort:
1°. de geldigheidsduur van de indicatie;
2°. de indeling van de persoon in één van de arbeidshandicapcategorieën,
die bepaald worden door de zwaarte van de aanpassing van de
omstandigheden en de productiviteit.
(...)
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot de bij of krachtens dit artikel aan de
Centrale organisatie werk en inkomen of het college van burgemeester en
wethouders opgedragen taak en de wijze van uitoefening daarvan.
5.4. Artikel 4, vijfde lid, van het Besluit uitvoering sociale
werkvoorziening en begeleid werken, Stb. 2004, 491, luidt:
5. De indicatie bevat bij een geïndiceerde tevens:
a. de arbeidshandicapcategorie waarin hij is ingedeeld;
b. de geldigheidsduur van de indicatie;
c. een advies over de eventuele aanpassingen die in eerste aanleg
noodzakelijk worden bevonden bij het verrichten van arbeid, en
d. een advies of hij in staat wordt geacht tot begeleid werken.
5.5. Artikel V van de Wet van 30 juni 2004, Stb. 2004, 325, welk artikel
het overgangsrecht bevat luidt:
1. De bij inwerkingtreding van deze wet bij het gemeentebestuur, bedoeld
in artikel 11, respectievelijk de commissie, bedoeld in artikel 12, van
de Wet sociale werkvoorziening aanhangige besluiten respectievelijk
adviesaanvragen, bedoeld in de artikelen 6, derde lid, 11, eerste lid,
of 11, tweede lid, van die wet worden tot 13 weken na inwerkingtreding
van deze wet door dat gemeentebestuur respectievelijk die commissie
afgehandeld met toepassing van die wet en de daarop gebaseerde besluiten
zoals deze luidde vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet. De
commissie blijft voor dit doel tot genoemd tijdstip gehandhaafd.
2. Besluiten respectievelijk adviesaanvragen die na de periode bedoeld
in het eerste lid nog aanhangig zijn bij het gemeentebestuur
respectievelijk de commissie worden, in de stand waarin zij zich
bevinden, overgedragen aan de Centrale organisatie werk en inkomen.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de
bij het gemeentebestuur aanhangige bezwaarschriften.
5.6. De Raad overweegt dat het College op grond van artikel 11 van de
Wsw, zoals dat artikel luidde tot de wijziging bij Wet van 30 juni 2004,
Stb. 325, bij (voor bezwaar en beroep vatbare) beschikking heeft
vastgesteld dat appellant niet in aanmerking komt voor begeleid werken.
Nu de CWI ook vanaf 1 januari 2005 dienaangaande slechts een bevoegdheid
tot adviseren aan het gemeentebestuur heeft en daarom aan het
gemeentebestuur en niet aan de CWI - zo nodig - kan worden opgedragen
een nieuw besluit op bezwaar te nemen dient de Raad in het onderhavige
geval het College als partij te blijven aanmerken.
6. Met betrekking tot de grieven van appellant tegen de aangevallen
uitspraak overweegt de Raad dat uit de gedingstukken blijkt dat het
advies van de Indicatiecommissie is gebaseerd op het
aanmeldingsformulier, het verslag van een intakegesprek met de
zogenoemde casemanager, op het sollicitatieprofiel van appellant, op
onderzoek door een bedrijfsarts van Maetis arbo en op het verslag van
een psychologisch onderzoek en een aantal testonderzoeken. Hierna heeft
de Indicatiecommissie aan de hand van een voorgeschreven beslistabel
het advies aan het College opgesteld. De Raad heeft geen aanknopingspunt
gevonden voor de opvatting van appellant dat dit aldus tot stand gekomen
advies niettemin als onzorgvuldig moet worden bestempeld.
6.1. Dat de Indicatiecommissie kon weten dat de uitkomst voor appellant
onaanvaardbaar zou zijn vormt, wat daar ook van zij, geen reden de in de
beslistabel voorkomende vragen over noodzaak en omvang van speciale
werkbegeleiding, anders in te vullen dan voortvloeit uit de beschikbare
medische en psychologische gegevens. Appellant heeft ter zitting
weliswaar nog aangevoerd dat hij het met het in het medisch en
psychologisch rapport gestelde niet eens is, maar hij heeft zijnerzijds
geen andersluidende rapporten van een arts of psycholoog in het geding
gebracht die zijn opvatting ondersteunen en die twijfel doen rijzen aan
de juistheid van de rapporten die ten grondslag liggen aan het bestreden
besluit. Ook de Raad moet er daarom van uitgaan dat appellant, wanneer
hij in dienst treedt bij een (gewone) werkgever, een zodanig intensieve
begeleiding nodig heeft dat deze de gestelde grens van 15% te boven
gaat.
7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet
kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
8. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter
en A. Beuker-Tilstra en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het
openbaar 31 augustus 2006.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) O.C. Boute.
|
|