|
Uitspraak
98/8878 ZFW
U I T S P R A A K
In het geding tussen:
A, wonende te B, appellante 1, en
C, wonende te B, appellante 2,
en
Onderlinge Waarborgmaatschappij OZ zorgverzekeringen U.A., gevestigd te
Breda, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij het bestreden besluit van 3 december 1996 heeft gedaagde de namens
appellante 1 ingediende en bij schrijven van 8 november 1996 door de
behandelend internist-nefroloog T. van Gelder nader onderbouwde aanvraag
om verstrekking van het geneesmiddel CellCept (mycofenolaatmofetil)
afgewezen.
Appellante 1 heeft bij op 15 januari 1997 ingekomen verzoekschrift
advies gevraagd aan de Commissie voor beroepszaken van de toenmalige
Ziekenfondsraad over haar aanspraak op verstrekking van CellCept.
Bij beslissing van 11 juli 1997 heeft deze commissie advies uitgebracht.
Daarbij is onder meer aangegeven dat het middel CellCept door de Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om financiële redenen niet eerder dan per 1 augustus
1997 in het geneesmiddelenpakket krachtens de Ziekenfondswet zal worden
opgenomen.
Namens appellanten heeft mr. drs. B.P.A. Santen, advocaat te Numansdorp,
beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank te Dordrecht heeft bij uitspraak van 20 november 1998
appellante 2 in haar beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroep
van appellante 1 ongegrond verklaard. Naar die uitspraak wordt hierbij
verwezen.
Namens appellanten is mr drs Santen voornoemd op bij beroepschrift (met
bijlagen) aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden.
Namens appellanten is een reactie ingezonden met bijlagen, waaronder een
schrijven van J. Rischen-Vos, internist. Voorts zijn namens appellanten
bij brief van 3 januari 2000, de gronden van het hoger beroep aangevuld.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 14 januari 2000, waar
appellante 2 in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Santen
voornoemd, en waar appellante 1 zich door deze gemachtigde heeft doen
vertegenwoordigen. Voor gedaagde zijn daar verschenen mr. G.M.-A.M.
Kersemaekers, bedrijfsjurist, en drs. A. Veerman, adviserend
geneeskundige.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante 1 heeft op 4 juni 1996 een niertransplantatie ondergaan. Zij
is de hele zomer ernstig ziek geweest als gevolg van
afstotingsverschijnselen. De middelen Neoral en Prednison alsmede een
aantal zware kuren boden geen oplossing. Op 23 augustus 1996 heeft haar
behandeld internist-nefroloog T. van Gelder het middel CellCept
voorgeschreven. Bij brief van 8 november 1996 heeft die behandelend
specialist jegens gedaagde het vitale belang van die medicatie voor
appellante 1 gemotiveerd benadrukt.
Appellante 2, zelfstandig apotheker te B, heeft het voorgeschreven
geneesmiddel verstrekt in de maanden augustus tot en met december 1996.
Het door haar aan gedaagde gedeclareerde recept is over de maand
augustus door gedaagde vergoed. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat
dit abusievelijk is geschied. De kosten drukkende op de maanden
september tot en met december 1996 ad f 1.035,62 per maand zijn door
gedaagde niet vergoed.
Appellante 1 stelt deze kosten niet zelf te kunnen betalen. De fabrikant
van CellCept heeft vanaf 1 januari 1997, nadat gebleken was dat gedaagde
het middel niet wilde vergoeden, leveringen om niet verricht. Vanaf 1
augustus 1997 komt CellCept voor op bijlage 1 van de Regeling
farmaceutische hulp 1996. Sedertdien wordt het door gedaagde wel
vergoed.
Bij het bestreden besluit van 3 december 1996 heeft gedaagde geweigerd
CellCept te vergoeden aangezien dit middel niet voldoet aan het bepaalde
in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Verstrekkingenbesluit
ziekenfondsverzekering (verder: Verstrekkingenbesluit). CellCept is niet
opgenomen in bijlage 1 van de Regeling farmaceutische hulp 1996. De Raad
begrijpt het bestreden besluit aldus dat het uitsluitend betrekking
heeft op het tijdvak van 1 september tot en met 31 december 1996.
De Raad zal eerst ingaan op de vraag of de rechtbank appellante 2
terecht niet ontvankelijk heeft verklaard in haar beroep.
Voor het antwoord op die vraag is het bepaalde in artikel 8:1, eerste
lid, en artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
van belang. Artikel 8:1, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een
belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de rechtbank.
Blijkens artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende
verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Gelet hierop dient de Raad de vraag te beantwoorden of appellante 2 kan
worden aangemerkt als belanghebbende in evenbedoelde zin.
De Raad stelt vast dat appellante 2 in haar hoedanigheid van zelfstandig
apotheker heeft zorggedragen voor de aflevering van CellCept aan
appellante 1 in het in geding zijnde tijdvak. Appellante 2 en gedaagde
hebben hun onderlinge rechtspositie nader geregeld in een
medewerkersovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk IV van de
Ziekenfondswet. Krachtens deze overeenkomst is de apotheker gehouden de
farmaceutische hulp te verlenen waarop appellante 1 krachtens de
Ziekenfondswet aanspraak heeft. Gedaagde heeft zich verplicht deze hulp
volgens overeengekomen tarieven te vergoeden.
Appellante 2 stelt zich op het standpunt dat zij er belang bij heeft
uitgemaakt te zien dat appellante 1 recht heeft op verstrekking van
CellCept, omdat daardoor komt vast te staan dan gedaagde de aflevering
van dat geneesmiddel aan haar dient te vergoeden. Voorts heeft zij
aangevoerd dat zij het een principiële zaak vindt dat het middel
CellCept op basis van vergoeding krachtens de Ziekenfondswet verstrekt
kan worden. Namens appellante 2 is erop gewezen dat een apotheker krachtens de Wet op de
Geneesmiddelenvoorziening en het daarop gebaseerde Besluit uitoefening
artsenijbereidkunst gehouden is om een op recept voorgeschreven
geneesmiddel aan een patiënt af te leveren.
Gedaagde heeft zich onthouden van een standpunt inzake de
ontvankelijkheid van het beroep van appellante 2.
De Raad beantwoordt de vraag of appellante 2 als belanghebbende in de
zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt
ontkennend. Hij heeft daartoe overwogen dat de door appellante 2
gestelde belangen zijn ingebed in de tussen appellante 2 en appellante 1
bestaande rechtsbetrekking en dat deze belangen derhalve niet
rechtstreeks betrokken zijn bij het bestreden besluit. Het gegeven dat
tussen appellante 2 en gedaagde een in de Ziekenfondswet geregelde
medewerkersovereenkomst is gesloten maakt dit niet anders. Ook daarvoor
geldt dat het belang van appellante 2 niet rechtstreeks is betrokken bij
het bestreden besluit. Dat appellante 2 het een principiële zaak vindt
dat het middel CellCept ten laste van de Ziekenfondswet aan alle
daarvoor op medische gronden in aanmerking komende verzekerden verstrekt
kan worden, is geen belang waardoor appellante 2 individueel wordt
geraakt en dat zich in relevante mate onderscheidt van het belang dat
een ieder heeft bij het bestreden besluit.
De Raad ziet tenslotte niet in dat in het onderhavige geval een
rechtstreeks betrokken belang kan worden ontleend aan de Wet op de
Geneesmiddelenvoorziening en het Besluit uitoefening artsenijbereidkunst,
reeds niet omdat de door de gemachtigde gestelde absolute afleverplicht
van geneesmiddelen daarin niet valt te lezen.
Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd
voor zover daarin het beroep van appellante 2 niet-ontvankelijk is
verklaard.
De Raad dient thans de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in
rechte stand kan houden.
Gedaagde heeft aangevoerd dat artikel 9 van het Verstrekkingenbesluit
geen ruimte biedt om een geneesmiddel te verstrekken dat niet is
opgenomen in bijlage 1 van de Regeling farmaceutische hulp 1996. De
aanspraak op verstrekkingen is strikt omschreven en de regelgeving bevat
geen hardheidsclausule.
Namens appellante 1 is aangevoerd dat verstrekking van CellCept medisch
noodzakelijk was aangezien voortzetting van de eerdere medicatie tot
ernstige afstotingsverschijnselen en nierfunctieverlies had geleid.
Gevreesd moest worden voor nierfunctieverlies op korte termijn. Tevens
is erop gewezen dat er geen aanvaardbaar alternatief was. Met betrekking
tot het financiële aspect is erop gewezen dat verstrekking van CellCept
goedkoper is dan de kosten die gemoeid zijn met gezondheidszorg in geval
van afstoting van de getransplanteerde nier.
De gemachtigde van appellante 1 heeft verder aangevoerd dat particuliere
ziektekostenverzekeraars het middel wel vergoeden en dat het
gelijkheidsbeginsel meebrengt dat voor de ziekenfondsen hetzelfde geldt.
Tenslotte heeft de gemachtigde zich op het standpunt gesteld dat er in
het onderhavige geval voldoende termen aanwezig zijn om strikte
toepassing van de wet achterwege te laten.
De Raad overweegt als volgt.
Vooropgesteld wordt dat ingevolge artikel 2 van het
Verstrekkingenbesluit verzekerden ter voorziening in hun geneeskundige
verzorging aanspraak hebben op de verstrekkingen als omschreven in -
voor zover hier van belang - artikel 9 van het Verstrekkingenbesluit.
Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van het Verstrekkingenbesluit
bepaalt dat farmaceutische hulp bestaat uit de aflevering van bij
ministeriële regeling aangewezen geneesmiddelen. Ingevolge artikel 1
van de hier van toepassing zijnde Regeling farmaceutische hulp 1996
omvat farmaceutische hulp de geregistreerde geneesmiddelen, genoemd in
bijlage 1 bij deze regeling. De Raad is van oordeel dat het
dwingendrechtelijke karakter van deze bepalingen uitgangspunt behoort te
zijn voor het antwoord op de vraag of in een concreet geval terecht
verstrekking van een geneesmiddel aan een verzekerde is geweigerd.
Desalniettemin kunnen er echter omstandigheden zijn waarin toepassing
van dwingendrechtelijke wetsbepalingen in die mate in strijd komt met regels
van ongeschreven recht, dat zij op grond daar-van geen rechtsplicht meer
kan zijn.
De Raad is, evenals gedaagde van oordeel, dat in het in geding zijnde
tijdvak aan het samenstel van bovengenoemde bepalingen op zich zelf
genomen geen aanspraak op verstrekking van CellCept kon worden ontleend.
Vastgesteld moet echter ook worden dat zich in het onderhavige geval
wellicht de uitzonderingssituatie voordoet waarin een strikte toepassing
van evengenoemde wettelijke voorschriften wegens strijd met regels van
ongeschreven recht achterwege dient te blijven en een aanspraak op
verstrekking van CellCept aan appellante 1 niet ontzegd kan worden.
Gedaagde heeft daar geen onderzoek naar verricht en geen blijk gegeven
van een onder de gegeven omstandigheden in evenbedoeld
uitzonderingskader passende afweging van wederzijdse belangen.
De Raad wijst er in dit verband op dat uit de medische gedingstukken
blijkt dat de behandelende sector voorafgaand aan het thans bestreden
besluit jegens gedaagde nadrukkelijk als zijn oordeel te kennen heeft
gegeven dat geen adequaat alternatief voor CellCept voorhanden was en
dat, indien dit middel niet verstrekt zou zijn, gevreesd zou moeten
worden voor functieverlies en afstoting van de getransplanteerde nier op
korte termijn.
Voorts is het middel CellCept, zoals in het onder I vermeld advies van
11 juli 1997 is aangegeven, wegens de ter zitting zijdens appellante 1
nader toegelichte redenen op een iets later tijdstip dan aanvankelijk
was voorgenomen alsnog per 1 augustus 1997 in bijlage 1 van voormelde
regeling opgenomen.
De Raad is, gelet hierop, van oordeel dat een zorgvuldige en deugdelijk
gemotiveerde afweging van de onder de omstandigheden van het onderhavige
geval in aanmerking te nemen belangen meebrengt dat gedaagde de vraag
onder ogen had moeten zien of sprake was van een levensbedreigende
situatie, dan wel van een medisch ernstig bedreigende situatie, met
mogelijk onherstelbare gevolgen, voor een of meer vitale organen van de
betrokken verzekerde en het resultaat van die afweging in zijn besluit
inzichtelijk had moeten maken.
Het bestreden besluit kan mitsdien wegens strijd met het bepaalde in
artikel 3:2 en 4:16 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet
in stand blijven. Dit besluit dient derhalve te worden vernietigd,
evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is
gelaten.
Gedaagde zal een nieuw besluit dienen te nemen met inachtneming van
hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Gezien het vorenstaande kunnen de overige grieven van appellante 1
onbesproken blijven.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante 1 in beroep en
in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 710,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en f
1.420,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Andere op grond
van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de
Raad ook niet gebleken.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de
artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad
tenslotte vast dat het door appellante 1 zowel in eerste aanleg als in
hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden
vergoed.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit alsnog
gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit, alsmede de aangevallen uitspraak voor
zover daarbij het beroep tegen dit besluit ongegrond is verklaard;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit zal nemen met inachtneming van
deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante 1, in eerste
aanleg tot een bedrag van f 710,-- en in hoger beroep tot een bedrag
groot f 1.420,--;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante 1 het gestorte recht van f 210,--
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter en mr. D.J. van
der Vos en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van mr. S.A.M.
Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier, en uitgesproken in het openbaar
op 28 september 2000.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.
|
|